wat we zien en niet kunnen zien

Dit neem ik waar: een debuutbundel met een prachtig omslagbeeld: een mooie combinatie van contrasterende kleuren en een intrigerende afbeelding. Hannah van Wieringen (1982), beter bekend als toneelschrijfster, vertrouwde mij toe dat zij en vormgeefster Esther Noyons de afbeelding erop (een foto van Harold Strak) ‘de mot’ noemen. Het insect lijkt door een microscoop bekeken. Wat ik verder waarneem, wat belangrijker is om te melden, is dat de verzameling gedichten hoge verwachtingen wekt.

Hier kijken we naar. We kijken naar een transparante mot. Een klein bestaan, maar uitvergroot tot een formaat waarin je de lijnen in de vleugels kunt zien, de haartjes in de poten, een verbrijzelde kop – we kunnen alles waarnemen. Een zielig diertje, plat en naakt, blootgesteld aan het menselijk oog boven een microscoop.

 Ook het binnenwerk is mooi, op een sobere manier; afdelingen zijn achterwege gelaten, de teksten zijn hoofdletterloos en hebben een klein, prettig lettertype. Voorin staat een motto, achterin staan inhoudsopgave en aantekeningen. Een van de her en der gepubliceerde gedichten verscheen in audiovorm op hard//hoofd.com: ‘hou moed’. Op die site publiceerde de auteur sinds december 2009 onder pseudoniem IJssel de Kwartelaere gedichten. Daarvan is een aantal soms ingrijpend gewijzigd en opgenomen in het debuut, waaronder ‘stormloop’, in de bundel getiteld ‘o veelheid’. Je krijgt de kans de ontwikkeling van de dichter te doorzien, hoewel zij het zelf wellicht vervelend vindt dat het onklare materiaal voor de hele wereld beschikbaar is.

In een radio-interview voor VPRO’s Nooit meer slapen geeft ze te kennen dat haar toneelteksten, verhalen en gedichten hetzelfde doel hebben. Het zijn middelen om het onbegrijpelijke geheim van het leven te ontbloten. Ze vraagt zich af waarom we bestaan en waarom het leven het in- en exterieur heeft dat we waarnemen. De jacht op het antwoord is een zware en typische opgave in de sociologische contexten van de afgelopen dikke vijftig jaar. De christelijke religie bijvoorbeeld is, koppen geteld, in omvang afgenomen. Wetenschapsgebieden daarentegen, waaronder het hersenonderzoek en de sterrenkunde, krijgen speciale aandacht. Een onbevredigende opgave lijkt het om dat wat niet past in een mensenhoofd toch proberen te laten passen. Dat kan leiden tot relevante poëzie. Het bewijs is deze bundel en een voorbeeld is een gedicht dat bij mijn weten niet eerder openbaar was:

over wat poëzie

Lees gedicht

Herhalingen, contrasten, ritme, klinker- en medeklinkerrijm, originele (werk)woordkeuzen, de afwezigheid van leestekens: ze zijn karakterbepalend voor het debuut van Van Wieringen. Daarnaast gebruikt ze veel beelden, in bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden of zelfstandige naamwoorden. Een combinatie ervan leidt tot geweldige gedichten als het geciteerde en observaties als deze: ‘vogels hangerig tegen het blauw’, ‘[…] wij maken / gangen in hoog gras / niet-ruimte van waar we net waren / plat gras van platte lichamen / dicht tegen de aarde’ (citaten uit openingsgedicht ‘wat we niet zijn’), ‘ik wil heel graag van je winnen / met werkelijkheidsmemory // dus om je te vergeten denk ik veel aan je / zoals staren naar een blinde vlek’ (uit ‘sterfbed’).

Waar je Van Wieringen eveneens aan kunt herkennen, is het uitblijven van inversie – het onderwerp staat regelmatig vooraan in de regel – en vooral haar enjambement. Per regel maakt ze een zin meestal af, of de zin loopt door in de tweede regel, of na de zin volgt aanvulling. Qua zinsconstructie is haar poëzie daarom makkelijk volgbaar, wat niet vreemd is voor een toneel- en prozaschrijfster, hoewel ze in het radio-interview laat weten dat ze op jonge leeftijd allereerst gedichten schreef.

Natuurlijk moet de poëzie van Van Wieringen nog verder ontwikkelen. De opening van het gedicht ‘wat liefde niet is’ is zwakjes: ‘liefde is / niet weggaan // zo simpel is het soms / een leven lang’ en in de bundel staan enkele clichés, zoals ‘er zijn heel weinig woorden nodig / om van iemand te houden’. In haar debuut hanteert ze in een aantal gedichten klassieke strofenbouw. Ik denk dat ze beter kan kiezen voor de vrije ontwikkeling van een gedicht, dan te gehoorzamen aan de wetten van vormvaste poëzie. Als Van Wieringen zich daarvan losmaakt, kunnen we grote dingen van haar verwachten. De witregels kan ze effectiever gebruiken. Zeker gezien haar thematiek, haar verlangen om het bestaansgeheim te ontrafelen.

Je moet ervoor oppassen dat je Hier kijken we naarniet om het omslag in een stuiptrekking aanschaft, of dat je de gedichten bevooroordeeld leest. Een mooi omslag kan je beter wantrouwend maken alvorens je van de bundel geniet, of niet. De argwaan voorbij, denk ik : het debuut van Hannah van Wieringen is er een zoals er zelden een geschreven wordt, zo intens en origineel. Dit is geen poëzie die je hapt, slikt en wegwerpt; dit is herleesbaar, herleesbaar mooie poëzie.

– Ruben Hofma