Fairplay

Met rust gelaten kunnen worden, zo kwalificeert Tove Jansson (1914-2001) de vriendschap in Fair play, een bundeling schetsen in glasheldere, denkende taal. De verhalen laten zich het best omschrijven als een warmbloedig en laconiek portret van een dertig jaar durende vriendschap. Zelf omschreef Jansson het boek als ‘een vriendschapsroman’ en ‘vrij opgewekte verhalen over twee vrouwen die een leven van werk, vreugde en opschudding delen’. Oorspronkelijk kwam het uit in 1989.

Tove Jansson wordt vaak in één adem genoemd met Astrid Lindgren. Als kinderboekenschrijfster is Jansson zeer geliefd. Met name de boeken rond Moem en zijn trollenfamilie worden wereldwijd gelezen. Ze schreef drie werken voor volwassenen.

In Fair play treffen we twee vrouwen van in de zeventig. Jonna en Mari wonen in hetzelfde appartementencomplex, allebei aan een andere zijde. Tussen hun atelierwoningen in zit een grote zolder, die ‘een denkbeeldige streep van broodnodige neutraliteit tussen hun domeinen vormde’. Jonna is beeldend kunstenaar en Mari schrijver en illustrator. Vaak eten ze na een dag werken samen en kijken ze films. Dit filmritueel komt aan bod in het verhaal ‘Videomaan’. Chaplin is Jonna’s favoriet, maar deze avond kijken ze Fassbinder. Na afloop ‘praatten ze erover, diepgaand en ernstig’. ‘Mari?’ vraagt Jonna, ‘vind je het erg dat we niet met mensen afspreken?’ Ze antwoordt: ‘Nee, nu niet meer.’

Nergens zet Jansson de vrouwen tegenover elkaar, steeds staan ze in verband met elkaar. Een beetje zoals de kunstwerken doen in het openingsverhaal ‘Opnieuw ophangen’, waarin Jonna Mari uitlegt dat ze haar kunstwerken beslist anders moet ophangen. Wat ze mag doen van Mari. ‘Terwijl ze toekeek hoe Jonna alles ophing kreeg ze de indruk dat alles, ook hun leven samen nu op de juiste manier beoordeeld werd en zijn definitieve plek kreeg, een samenvatting uitgedrukt in afstand of vanzelfsprekende concentratie.’

Ali Smith trekt in haar voorwoord bij deze heruitgave een mooie parallel tussen de verhalen en de ex libris-tekst van Jansson als jonge kunstenares: ‘Labora et amare’. Want over de balans tussen werk en liefde gaan de meeste schetsen. Steeds tonen ze hoe twee werkende vrouwen een evenwicht zoeken tussen samen en alleen. Smith stelt, ik parafraseer, dat doordat de een de ander de noodzakelijke ruimte gunt om te werken, ‘de revolutionaire vrijheid’ aan het licht komt, die gepaard gaat met zulke liefde. Het mooie is dat het Jansson lukt dit grootse element van wat vriendschap kan zijn steeds op heel kleine, alledaagse wijze te tonen. Fair play is een boek over elkaar de ruimte gunnen, om te leven, om te werken, om in elkaars nabijheid tot wasdom te komen.