vette oranje lippen als geile goudvissen

De kermis van Gravezuid, het prozadebuut van toneelschrijver en journalist Hannah van Wieringen, is gesitueerd in een sfeer van toenemend feestgedruis. In een kleine plaats in Noord-Holland dobberen dorpsbewoners rond in hun kalme leven, terwijl op de achtergrond de knarsende wagens van een kermis al bijna hoorbaar zijn.

Deze kermis op komst, die het dorp ongetwijfeld heel even zal opschudden met een bak herrie en ongein, gebruikt Van Wieringen als een bron van onrust die de levens van een beeldhouwer, een paar opgeschoten jongeren en nog wat ander voetvolk, in de voegen doet trillen. Er is een onweerswolk in aantocht, en alleen al dat bericht doet de bliksem inslaan.

Bij de jongen uit het openingshoofdstuk lijkt het ook daadwerkelijk de kermis te zijn die hem onrustig maakt. Terwijl om hem heen jongens uit tractoren klimmen om borden in de grond te slaan waarop de kermis staat aangekondigd, duikt hij nog maar eens van de brug het water in. ‘Nog een keer. Terug naar beneden, daar beneden, tussen de wortels van de waterplanten, de rietvoorns, terug in de tijd.’

Voor de beeldhouwer Victor in het volgende hoofdstuk (of misschien is het beter om te zeggen ‘verhaal’, want een werkelijke eenheid is in dit boek maar moeilijk te ontwaren) is de dreiging al van abstractere aard. Zijn ‘kermis’, zijn bedreiging dus, dient zich aan in de vorm van een makelaar. Moe van het onderhandelen, zo lijkt het althans, doet hij zijn te koop staande molen in een vloek en een zucht van de hand. Niet aan een door de makelaar aangedragen koper, nee, aan de makelaar zelf. Je wilde het toch zo graag verkopen? Nou, hier heb je het. Net als de jongen uit het vorige hoofdstuk vlucht Victor daarna weg via het water, een kano in.

Ik kreeg de indruk dat Van Wieringen geprobeerd heeft om donderwolken als een moderne schilder te abstraheren. Ze voert in korte hoofdstukken getergde personages aan en maakt het steeds lastiger en daarmee uitdagender voor de lezer om vat te krijgen op datgene waar de bedreiging werkelijk uit bestaat.

Soms werkt dat. Zoals in het verhaal waarin drie jongens (‘Noem ons de Daltons min één’) vermomd, playbackend en ‘kushandjes werpend naar een denkbeeldig publiek’ (dank u, Anthony Burgess) een oudere man in elkaar slaan. Ze gaan op in een ‘echt’ moment van geweld, waarna ze huiswaarts gaan en de ‘vette oranje lippen als geile goudvissen’ van het slachtoffer nog voor zich uit zien zwemmen.

Op dat onbestemde en bedreigende van zo’n zin mag Van Wieringen in haar volgende boek wel wat meer inzetten. Te veel verhalen worden nog gekenmerkt door het nauwgezet schetsen van een sfeer, en niet door, eventueel interne, conflicten.

Het geeft dit debuut iets vrijblijvends, alsof het een vingeroefening is – ondanks het onloochenbare talent van Van Wieringen.  – Sebastian Kort