Hoe lees je een boek

Het is een bijzonder gelukkige selectie, die uitgeverij Erven J. Bijleveld met de essaybundel Hoe lees je een boek? gemaakt heeft uit de beschouwende stukken die Virginia Woolf (1882-1941) over literatuur lezen en schrijven publiceerde.

In het openingsessay ‘Uren in een bibliotheek’ beschrijft Woolf het verschil tussen iemand met een passie voor lezen en iemand met een passie voor leren. Iemand die van leren houdt, wil deskundig worden en een deskundige zijn, zegt Woolf, en dat moet toch wel het allerergste zijn wat er is. Het ware lezen, stelt ze, gaat niet over jagen op waarheid. Zuiver en onbevangen lezen is verheffender. Dit onderscheid brengt haar tot gedachten over de snobistische voorkeur om de klassieken wel te genieten, maar de neus op te halen voor de eigen tijdgenoten. Woolf, zelf dan nog lang geen klassieker, pleit voor de stemmen van nu. Het scherpt onze geest dat we bij onze tijdgenoten zelf moeten bedenken waarom iets ons al dan niet bevalt. En verderop: ‘[…] want als er ook maar een sprankje leven in hen zit, gooien ze hun netten uit in onbekende diepten om nieuwe vormen te vangen, en wij moeten al onze verbeeldingskracht er achteraan werpen, willen we met iets van begrip de vreemde schatten kunnen aanvaarden die ze bovenhalen.’

Britse Rijk

Alle stukken waarin ze het werk van collega’s bespreekt, lezen als gesprekken met de lezer – wij collega-lezers, wij boekenwurmen onder elkaar – én met de werken die ze leest. In het titel-essay schrijft ze over dit vermogen je te laten raken en overtuigen door schrijvers: ‘We kunnen hun oordeel alleen begrijpen wanneer het met het onze botst en het overwint.’

In ‘Meneer Bennett en mevrouw Brown’ buigt ze zich over karakter in fictie. Ze klaagt aan en ze stookt op. Ze citeert met sardonisch genoegen ellenlange passages van collega’s die er maar weinig van bakken. ‘Het lijkt me dat als je deze mannen benadert met de vraag […] hoe je realistische personages moet scheppen je net zo goed naar een schoenmaker kunt gaan met de vraag je te leren hoe je een horloge moet maken.’ Het is een essay waarvan je hoopt dat het nooit ophoudt. Woolf geeft les, bevraagt, vertelt wat een roman kan zijn en niet zou moeten willen zijn: ‘ik denk dat alle romans gaan over het karakter van personages, en dat de romanvorm – hoe onbeholpen, wijdlopig en onspectaculair, maar ook hoe veelzijdig, plooibaar en levendig die mag zijn – is ontwikkeld om uitdrukking te geven aan het menselijke karakter – en niet om leerstellingen te prediken, liederen te zingen of de zegeningen van het Britse Rijk te roemen’.

Praatfeest

Woolf verspreidt deze moed. Haar beschouwende werk lezen is alsof je op een praatfeest ronddoolt en na een veelheid aan plichtmatige gesprekken opeens iemand treft waarvan je hoopt dat ze de hele nacht bij je blijft. Dat ze blijft spreken over wat ze gelezen heeft en wat dat bij haar teweegbracht. Dat ze blijft spreken over wat kunst teweeg kan brengen. Ze is zo iemand waarvan je zeker weet dat ze je iets gaat vertellen over wie jij bent. Of je dat nu leuk vindt of niet.