geliefden in een havenstad

Is één werkelijkheid niet genoeg? Is het echt nodig er nog één naast te zetten in de vorm van afbeeldingen? Blijkbaar wel. Reeds lang voordat de mens besloot een sedentair leven te gaan leiden en de aarde te ontginnen, maakte hij tekeningen, en al veel eerder was hij begonnen de wereld weer te geven in woorden.

Op de oudste rotstekeningen zien we meteen waarom hij dat deed: de dieren waarop hij jaagde moesten worden gefixeerd, zodat ze hanteerbaar werden. Wie iets uitbeeldt, wil het weerbarstige manipuleren.

Aristoteles stelde al dat de drang tot mimesis ons in het bloed zit, zelfs in die mate dat we plezier beleven aan levensechte afbeeldingen van de meest weerzinwekkende objecten. Het is dan ook geen wonder dat beschrijvingskunst een vast onderdeel van literatuur is. Je wilt een realiteit oproepen om die vervolgens naar je hand te zetten. Alle kunst is, uiteindelijk, bezwering.

De titel van de eerste dichtbundel van ­Hannah van Wieringen (1982), die in 2012 als prozaïst debuteerde, is programmatisch: Hier kijken we naar. Dit is poëzie met een sterk visuele inslag. Neem nu dit stilleven met dode eend:

kijk je borsten bloedend op het berkenhout
je gele snavel gesloten als een mossel
veertjes los verwaaid omhoog door de keuken

Het gedicht appelleert niet alleen aan het oog, maar ook aan het oor, want zie, ‘je wankele vinvoeten schommelloos/ geen flepflep plakken over een weg’, en ‘je swiftswift klapperende vleugelen’ liggen nu als zinloze ‘indianentooien’ op een aanrecht. Na zulke strofen hoef je niet meer naar het Rijksmuseum. De virtuoze beschrijving wordt echter doodgeslagen met een emblematisch cliché waarvoor Jacob Cats zich niet zou schamen:

kijk je lege lichaam in de ruimte
vogel zonder vogel lichaam zonder jou.

Het is een probleem dat zich in de bundel vaker voordoet. Een breed opgezet gedicht over het jachtige leven van aan kicks verslaafde yuppen mondt uit in een schitterend beeld, dat associaties oproept met de symbolistische schilderkunst van de late negentiende eeuw: ‘toen wij onze matgelakte teennagels doopten in het maanwater/ stil en opaque was het tevoorschijn gekomen uit de horizon’. Van Wieringen verknoeit de illusie door er direct ‘raar’ aan toe te voegen, en een strofe verder ook nog ‘echt heel wonderlijk’.

Misschien is het een kwestie van redactie, en gelukkig is dat niet wat beklijft. Deze dichter is een meester in het voelbaar maken van fysieke ervaringen. InSpeeldrift veranderen twee geliefden, die in een havenstad zijn gaan zwemmen, in soepele waterwezens:

met happende monden sediment opdiepen
van de zoetwaterbodem
haar laten opwolken
daar met golvende rogvleugels doorheen zeilen
glippende vingers
langs gladde ruggen
laten glijden

Het verlangen naar een vloeibaar universum is in Hier kijken we naar een constante. De dichter stelt zich voor stap voor stap te transformeren tot water. Ik hang, zegt ze, op het water en ‘dein mee nu met de golfslag’, en eenmaal onder het oppervlak ‘welt uit mijn mond een bron op’. Het lijkt alsof Van Wieringen de ‘kleine mooie revolutie’ van Lucebert uitwerkt, die immers verklaarde: ‘ik ben niet langer van land/ ik ben weer water’.

Evenals bij Lucebert heeft de watermetafoor bij Van Wieringen een poëticaal en een erotisch aspect. Haar taal, die afziet van hoofdletters en interpunctie, wil vloeien en stromen om de isolatie van het individu op te heffen. Na gesproken te hebben over ‘vier zweterige billen’ van twee naakte ‘dieren’ die onverzadigbaar om elkaar heen wentelen, trekt ze een analogie met de cyclus van het etmaal: ‘de aarde draait de dag de nacht/ het is de simpele taal/ van hier en nu en daar en daar’.

Het is jammer dat het vervolgens erg expliciet wordt: ‘een lijf een lijf als twee vermomd/ het begeerde zeer één dier te zijn één kop één mond’. Dat hadden we ook zelf wel kunnen bedenken. Maar het gedicht lost op in vervoerende klankherhalingen die de samenvloeiing van twee lichamen voorstelt als een in elkaar verdwijnen. Taal schiet te kort:

mag wat strak en nat is
hard en dieper samengaan
totdat het stil niks liever wil dan stil
totdat het stilgemaakte naakt
niets liever wil dan stil

Dat Van Wieringen kan schrijven is duidelijk. Maar staat er ook iets op het spel? De vele imperatieven doen het vermoeden. In het tweede gedicht poogt ze, aan het einde van een reeks herinneringen aan een jeugd op het Hollandse platteland, de verbeelding van het kind vast te houden: ‘schrijf regels maak weerloze/ wegen zeg en dan was jij/ en dan was ik’. Elders wordt een prehistorische jager toegesproken: ‘stof de grot uit/ kras uit je geheugen/ een toekomstig dier/ op de muur’. En in een Totalitaire litanie krijgt een zusje overdreven adviezen om zich in de gevaarlijke wereld staande te houden: ‘maak geen fout hou je tong in je mond oog sterk/ de mensen zouden maar denken dat je niet vechten kan/ ze hebben kwaad in de zin’. Het is niet meer dan natuurlijk dat de dichter wil ingrijpen. Toch is Van Wieringen op haar best wanneer ze slechts laat zien wat er is.  – Piet Gerbrandy