de grote orfische adem

POEZIEKRANT Mensen, wat een debuut. Wat een prachtig doordravende poëzie. Wat een helderheid en een verbeelding, grijpgrage regels, die weten wat ze willen en dat krijgen ook. Ik heb het over Hier kijken we naar – het poëziedebuut van Hannah van Wieringen.

Waar te beginnen? Bij de Hollandse eenden die plotseling opvliegen ‘schouder over schouder als eschers eenden / zilverblauw en groene slootjes / weilanden omvattend’. Of bij dat loepzuivere, treffende beeld van de klimop: ‘een lichte wind raffelt / de blaadjes op als kippenvel’. Een vlucht eenden die de wereld omvat, klimopblaadjes die raffelen. Iets heel groots en iets heel kleins. Je komt ze steeds weer tegen in de bundel. Al op het omslag van de bundel: een rode planeet in het uitspansel achter een platgeslagen, uitgedroogd insect. Het hele grote en het hele kleine in elkaar schuiven in één beeld: dat is wat Van Wieringen steeds weer probeert, en wonderlijk genoeg lukt het haar ook. Neem het poëticale gedicht ‘Over wat poëzie’. Heel slim ontbreekt in de titel het werkwoord. Is het ‘over wat poëzie wil’ of ‘over wat poëzie moet’ of ‘over wat poëzie vermag’? Ik kies voor het laatste. En vervolgens laat de dichteres dat ook zien. De overgrote kosmos wordt helemaal teruggebracht tot een minimale afwezigheid. Het begint zo:

 

de hele grote onmogelijkheid van het enorme volle alles

die knappende ballon in je uitklappende gogogadget borstkas

die de aardbol omvat inclusief wereldzeeën

woestenijen van ver voor onze tijden

van ver voor de eerste kikkervis

 

Heerlijk, dit enorme omvatten dat eigenlijk niet kan. En vervolgens wordt dat alles gevangen in een mazig vlindernetje en overgeschept naar een aardenwerken potje waarin een sneeuwklokje opengaat:

 

plop zegt het klokje

open de tijd

adem uit

 

de stilte daarna

de afwezigheid van

dat geluid

 

Ik hou niet zo van het woord ‘stilte’ in poëzie, maar deze stilte, die rechtstreeks voortkomt uit de oerknal, vind ik briljant. Het doet me denken aan de manier waarop Herman de Coninck eens de poëzie omschreef: een reus die postzegels verzamelt, miniatuurpostzegels met zijn reuzin erop.

Steeds weer lukt het Van Wieringen. Het hele grote in het hele kleine. Er is een feest dat eindeloos doorhost, er is een doorkijkbloes waarin het wobbelt en wiebelt, er zijn heftige liefdes, er is een pandabeer die de boeddha lijkt: ‘een apelazarus neergezegen papzak / plet zich in een omgekeerde tent in het woud’ – het bekt ook lekker, zou Lucebert zeggen. De boeddha-panda ‘kauwt zonder oponthoud zijn bamboeblaren / blaast en verruft de lucht naar eigen inzicht…’

Lucebert, ja: ‘de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking brengen’ – dat is waar Van Wieringen mee bezig is. Daar is niks ouderwets en stoffigs aan. De ware poëzie zoekt steeds weer de grote, orfische adem, en in Hier kijken we naar steekt dit streven in een overtuigend eigentijds idioom. Deze poëzie staat wel degelijk met twee benen in de morsige, lastige, vunzige en vaak ook treurige werkelijkheid. Neem de ‘clubkids sloeries’ in de ‘panorama bar’ of de jongen die weet dat zijn zwembroek sexy is, omdat ‘verschillende zorgmanagers’ dat unaniem hebben bevestigd. Of neem de raadgevingen aan het zusje dat niet mag toegeven aan alle verleidingen ‘en verlaat je toch niet voor de febo zusje ze houden dieren ondergronds / en voeren nucleair veevoer aan door blauwe buizen zusje’. Een geweldig gedicht, dat het vast ook goed doet bij de voordracht.

Toch is het geen poëzie van grote stoere bewegingen en gebaren. Het ronkt niet. Het is echt, en het is heel precies, zoals in ‘in geval van liefde’:

 

als je meer woorden kent

heb je er minder nodig

 

om te raken aan wat je bedoelt

in geval van liefde heb je hier niets aan

 

Regels met een De Coninck-achtige, onderkoelde precisie. Ren naar de boekhandel om te weten wat er in geval van liefde allemaal wél gebeurt. En laat je inspireren door prachtige gedichten als ‘we kijken niet achterom’ of  ‘als’. En besluit met het Rilkeaanse ‘Metamorfose’ aan het slot:

 

ik wist van niks ik keek omlaag

en zag het lichaam van een paard

 

hoeven donker glanzend benen stram en krachtig

een borst een mond bedekt in zwemen schuim

 

ik draafde waar de oever laag was door het water

hoog op mijn rug droeg ik een zanger

en hij zong

 

Jaja, deze poëzie zingt. Af en toe denk ik dat de titel, Hier kijken we naar, de poëzie een beetje tekortdoet. Het suggereert dat de poëzie op een afstandje blijft kijken, en dat is zeker niet het geval. De dynamiek van deze poëzie, in klank, in beeld, in zinsbouw laten je niet onberoerd. Mij niet. ‘Hier bewegen we in’ zou misschien beter zijn, al denk ik dat de dichteres dat nogal aanmatigend zou vinden. ‘Hier vallen we in’? Is dat wat? In elk geval: hier val ik voor – absoluut het beste poëziedebuut van het jaar tot nu toe.   – Koen Vergeer