moeizaam op gang komend debuut

Het prozadebuut van Hannah van Wieringen (1982), een boekje van net iets meer dan honderd bladzijden, komt moeizaam op gang. Daarnaast is van Wieringen dol op bijvoeglijke naamwoorden, waardoor de lezer zich vooral aan het begin door een woud aan extra’s moet wurmen. ‘Knokige knieĆ«n’, ‘het bonkige ding’, ‘Het openklappende deurtje maakte een plastic speelgoedgeluid’ en zo meer. Die hindernis daargelaten, weet Van Wieringen bij vlagen te amuseren met haar schetsen van het platteland waar grimmigheid de boventoon voert.

In afzonderlijke hoofdstukken lezen we over een dorpsgemeenschap. Stroeve kerels die zich bezatten aan de bar, slovende huisvrouwen, pestende kinderen, een eenzame travestiet en pubers met dromen, zoals Anne-Eva. Ze heeft verkering met ene Johan, die haar rondrijdt in zijn Fiat Panda. Moervast zit ze in de provincie, desondanks ziet ze een toekomst voor zich als filmster. Hoogtepunt in dit soort gehuchten is de jaarlijkse kermis. Ook het moment waarop velen hun slag denken te slaan in de liefde.

Onder de geportretteerden bevindt zich ook een echtpaar dat van buiten het dorp komt. Met veel moeite proberen ze aansluiting te vinden bij de oorspronkelijke dorpelingen. Maar zonder succes. Van Wieringen noteert treffend: ‘Alsof van elders komen niet kon worden vergeven, alsof buitenstaanders eenmaal door die reeds bewezen geografische beginafstand ook tegemoet moesten worden getreden met een gepaste geestelijke afstand.’

Van dergelijke observaties moet dit debuut het hebben. Ze tonen de potentie van deze auteur; ze kan de zwarte pendant worden van het wafelzoete plattelandssentiment van Luuk Gruwez. Tot die tijd hoop je dat Van Wieringen zichzelf de tijd gunt om te rijpen. – Danielle Serdijn