een oneindige poging de liefde uit te spreken – roeland hofman

 

Hannah van Wieringen (1982) volgde de opleiding Writing for Performance aan de Faculteit Theater van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Met Er moet licht zijn debuteert ze bij Toneelgroep Oostpool. Daarmee is ze een van de eerste Nederlandse toneelschrijvers geboren in de jaren tachtig die haar stuk opgevoerd ziet worden bij een Nederlands stadsgezelschap. Het is de tweede keer dat ze met regisseur Marcus Azzini samenwerkt; eerder ensceneerde hij haar tekst Reiger Ex Machina bij het Gasthuis.

Voor Er moet licht zijn heeft ze gekozen voor personages die dicht bij haar belevingswereld staan; een groep generatiegenoten die in de hoofdstedelijke feestcultuur anno 2010 leven. Zonder heel nadrukkelijk een tijdsbeeld te creëren, doemt wel degelijk een beeld op van een specifieke groep mensen en de tijd waarin ze leven. Het zijn mensen die opgegroeid zijn in de nasleep van het links-progressieve denken van hun ouders en nu, eind twintig, leven in een maatschappij die steeds rechtser doorschiet. Het is een generatie waarin creativiteit, plezier en commercie een onbezorgde verhouding met elkaar hebben. Door de vele overlappende liefdesrelaties ontstaat een hedonistische levenshouding. Het zijn mensen die in een roes van plezier leven. Echte zorgen lijken ze niet gehad te hebben, wel een overdaad aan mogelijkheden, maar levensbepalende keuzes zijn nog niet gemaakt. Tot die tijd bestaat er een overzichtelijke balans tussen doelbewustzijn en zelfbewustzijn.

In Er moet licht zijn zien we wat er gebeurt als die balans omslaat naar een teveel aan zelfbewustzijn. Op anatomische wijze ontleden de personages hun gedragscodes, hun maniertjes en gewoontes en vrezen voor wat ze daarachter zullen vinden. Of zoals ‘Sanne’ aan het begin zegt:

 

iedereen vol opgeblazen vol van

vol met

doelbewustzijn

ik hier leeg

alleen met

zelfbewustzijn

 

Als middelpunt van een vriendengroep komt hij erachter dat het hem niet meer lukt te geloven in de zekerheden waar zijn leven uit bestond. Waarom weet hij niet, maar door zijn besluit niet meer mee te lopen ‘in die knetterende denderende polonaise’ dwingt hij zichzelf en zijn vrienden en geliefdes tot introspectie. De tijd wordt stilgezet en de balans wordt opgemaakt. Wat is er tot nu toe bereikt in die kleine dertig jaar? Wat zijn de belangrijke dingen in het leven? Kan liefde slechts iets zijn waar je naar kan verlangen? Net als in het ‘echte leven’ komen de antwoorden hier niet zo snel. Is het verstandig je leven te leven zonder erbij na te denken? Of moet er stil worden gestaan bij het niet-weten? Deze prangende vragen zijn pogingen om grip op het leven te krijgen. Omdat alle personages een eigen levensvisie proberen te formuleren ontstaat er een confrontatie. Met cynische mokerslagen dwingen ze elkaar op zoek te gaan naar waarachtigheid. En telkens komt die tegenstelling weer terug: hoe je als mens een haarscherp zelfbeeld kan hebben, maar toch niet weet hoe je verder moet leven.

 

Onafgebroken proberen de personages zichzelf te uiten om zo gehoord te worden. Deze poging uit zich vooral in het taalgebruik. Ze praten in korte, staccato zinnetjes. Het zijn gedachtes, geen volzinnen met een kop en een staart. Dit wordt des te duidelijker doordat er geen interpunctie in de regels wordt gebruikt. Als in een opwelling wordt er begonnen met een zin, met de volle intentie om jezelf nu dan maar echt duidelijk te maken, en halverwege het eerste woord loopt de gedachte alweer spaak. Desondanks zit er in de taal een rijke verbeelding. Voortdurend zoeken de personages naar een nieuwe metafoor om het leven inzichtelijk te maken. Hoewel ze niet in staat lijken te zijn om een gedachte af te maken, hebben ze een grote vocabulaire tot hun beschikking, citeren naar hartenlust en maken elkaar af met goed gekozen wisecracks. Ze gaan met de taal aan de haal. Er wordt zeer rechtstreeks naar elkaar gesproken en op elkaar gereageerd, maar even vaak lijken de personages helemaal buiten de handeling te stappen om te pogen zo beter onder woorden te krijgen wat hun zielsleven behelst. Het ter plekke formuleren van gedachtes en metaforen is de voornaamste bezigheid; plot en handeling zijn van secundair belang. Het stuk heeft meer de vorm van een koortsdroom waarin de personages steeds terug worden geworpen naar een stilstand.

De vraag of deze stagnatie opgelost wordt blijft grotendeels open. Het zoeken naar inzicht blijft doorgaan en het besef van ouder worden komt steeds dichterbij. Uiteindelijk biedt het feit dat de personages hun vragen gezamenlijk beleven nog de meeste hoop. Aan het eind van het stuk zijn de personages in staat om elkaar beter op te merken en lijkt de verbeelding die Van Wieringen hen aanreikt hun daadwerkelijk verder te helpen.

 

Er moet licht zijn is een toneeltekst pur sang. Ondanks de poëtische kracht is dit een tekst die gespeeld moet worden. Essentieel element in de voorstelling/tekst is de open relatie die er bestaat tussen publiek en de acteurs. Op deze manier is het hardop zoeken naar taal en zingeving van een nog grotere betekenis dan bij het lezen vermoed kan worden.

 

Roeland Hofman

 

 

 

Er moet licht zijn

Toneelgroep Oostpool

première op zaterdag 13 februari 2010

Huis Oostpool

 

Tekst: Hannah van Wieringen

Regie: Marcus Azzini

Vormgeving: Pascal Leboucq

Dramaturgie/regie-assistentie: Roeland Hofman

 

Acteurs:

Sanne den Hartogh

Bram van der Heijden

Maria Kraakman

Janneke Remmers

Bas van Rijnsoever

 

De in deze uitgave gepubliceerde tekst kan afwijken van de in de voorstelling gespeelde tekst.