herhaalde beelden

De verhalen in Hannah van Wieringens prozadebuut spelen zich af in de Noord-Hollandse plattelandsgemeente Gravezuid, waar kermis komt. Het is de motor die de mensen in dit verstilde plaatste in gang zet: ze duiken op gevaarlijke plaatsen naar verborgen schatten, gaan ervandoor in een kano, rijden zich te pletter of verhangen hun vrouw. Het is niet zozeer dat ze uit hun evenwicht raken, maar ze komen uit hun ruststand en lijken tot een hoger inzicht te komen. Alsof ze menen ‚iets te moeten veranderen in hoe de dingen zich aan ons voordoen.’ Als ze iets moois willen maken van iets noodzakelijks, zoals het meisje Esther denkt in ‚Het eerbetoon van Reinout’. Soms loopt dat uit gehand. Esther is verwonderd over de poëzie van haar pupil, de verstandelijk gehandicapte Reinout Roos. Elke middag hakte deze pure, beresterke jongen in de tuin van zijn moeder een gevelde woudreus aan stukken om na deze ‚deconstructie’ de houtblokken onder een afdak in een nieuwe orde in elkaar te passen. Het doet Esther denken aan schrijven, waarbij je uit de chaos ook een nieuwe werkelijkheid schept. Maar op een andere manier dan bij de halve waarheden of leugens om bestwil die haar vader over de dood van haar moeder vertelt. Het verschil tussen een dichter en haar vader is huizenhoog, want: ‚Poezie is nooit valse troost.’ De verhalen zijn onderling verbonden door herhaalde beelden, bijvoorbeeld water dat geheugen lijkt te symboliseren. Soms vliegt de schrijfster uit de bocht zoals in het verhaal ‚Op de vos zitten’. Water verwijst er naar opduikende gedachten en schrijverschap. Dat is mooi, maar het is over de rand als Van Wieringen over reclame-tekstschrijver Kees, die zo graag op Elsschot wil lijken, zegt: ‚Hij doopte zijn voet kort in de gedachte op dit punt in zijn leven gelijk aan Elsschot te zijn.’ Dit is ‚valse troost’ van mooischrijverij. – M. Pouw