Voorbij aan goed en kwaad

 10560455_10208986489485405_4245756386039403596_o

In het scabreuze toneelstuk Lulu van Frank Wedekind, dat tussen 1890 en 1895 is ontstaan en dat de kachel aanmaakt met de Victoriaanse (en dus al enige tijd overleefde) idee dat seks iets smerigs zou zijn, werd in de loop van de tijd veel geschrapt door censoren met een antipornografische witkwast. In 1988 greep de Duitse regisseur Peter Zadek naar de oerversie, die een jaar later door Judith Herzberg werd vertaald. Die versie is de basis voor de bewerking die Hannah van Wieringen nu voor Oostpool heeft ge- maakt. Lulu (een onderkoeld spelende Kirsten Mulder) heeft een proloog waarin ze de volgende beweringen doet: (1) geloof mijn mannen niet en (2) kijk óm alles heen (3) dan pas ziet u mij (4) voorbij aan goed en kwaad. In het programmaboekje zegt de bewerker: ‘Lulu moet op de grond staan.’ Regisseur Marcus Azzini wilde Lulu ‘losweken van haar imago van pornografie’. Misschien zijn dat wat veel bedoelingen boven op elkaar.

De Lulu die met beide voeten op en in de aarde staat, komt misschien het dichtst in de buurt van wat Wedekind heeft opgeschreven. De figuur Lulu werd ooit als weeskind gered door de onbaatzuchtige krantenman Schöning (mooie rol van Martijn Nieuwerf). Lulu wil zichzelf onbeperkt aan die man teruggeven. Maar hij weigert. Hij wil wel een verhouding, maar geen verbintenis. Dat verschaft Lulu een vrijbrief om zich onbeperkt te geven

aan alle mannen die haar willen hebben. In de derde akte, als ze dat streven nogal rommelig in praktijk brengt, roept ze wanhopig: ‘Ik heb nooit iets anders willen zijn dan wat de mensen in me zagen, en ze zagen nooit iets anders dan wat ik ben – ik ben vrouw.’ Lulu heeft een kameleontisch vermogen om van de ene naar de andere bewonderaar (man of vrouw) en van het ene ver- langen naar het andere te schakelen – ze is een in de kern on- schuldig wezen in een jungle van mannentijgers. Dát Luluverhaal lijkt deze voorstelling vooral te willen vertellen. Lulu als Spielerin.

Maar Azzini wil ook graag grappig zijn. En ad rem en trendy. Dus krijgen we kunstfilms op een reuzenscherm en muziek uit hedonistische tijden van goedkoop exhibitionisme. Kortom: Lulu door de ogen van een dandy die niet van de straat is en niet vies van snobisme. Het centrum van deze vertoning is daardoor wat aan de drukke kant. Lulu wordt weer in een verdomhoekje geperst. Gelukkig laat Kirsten Mulder zich niet zomaar wegdrukken. En gelukkig hebben we Kees Hulst, die van de dwerg -Schigolch, Lulu’s griezelige vader, een hilarische bedelreus maakt met een fijne hang naar het vileine.

Zullen we afspreken dat we Lulu nu even een poos met rust laten, heren? Tot zich, na Annemarie Prins, die in 1986 een wonderschone en nuchtere visie op het stuk had, weer eens een vrouw als regisseur meldt. Ik heb het nu wel even gehad met al die tochtige mannenfantasieën over dit fascinerende personage.

LOEK ZONNEVELD