Kira Wuck’s Noodlanding

Kira Wuck debuteerde in 2013 met de poëziebundel Finse Meisjes , een boek dat lang opengeslagen op mijn bureau bleef liggen. De gedichten erin waren van de vervreemdende soort en in boude taal neergeschreven: Wuck heeft een stoere, klare pen. Als een glaasje wodka uit de vriezer. In de gedichten werd verslag gedaan van samenleven. Ik geloof graag in verheffing door de verhalen waarmee we ons omringen. Of om met een van de personages in Wucks nu verschenen eerste verhalenbundel te spreken: ‘Dood gaan we toch.’ Alle ondersteuning tussen nu en dat moment is meegenomen.

Laat je niet afleiden door de vrolijke kleurtjes van de koekoeksklok op de omslag van Noodlanding . Om Tsjechovs wet van stal te halen: die koekoek gaat eraan. Wucks bundel biedt geen blind geloof in wat dan ook. De verhalen ademen krachtig, soms rochelend, met een nu eens snijdend dan weer gelaten zelfbe- wustzijn. Wuck (1978) schijnt met een zaklamp in donkere ruim

tes. In korte scènes lichten morsige woonkamers op, een nacht- kroeg na sluitingstijd, een café vol taxichauffeurs. En zo komen we dichter bij personages die willen of moeten, maar niet kunnen veranderen. Die worstelen met wat het toch te betekenen heeft: dit in leven zijn. Vooral maathouden is een schier onmogelijke taak voor de personages van Wuck. Zie het begin van het verhaal ‘Winnaars’: ‘Mijn broer Edgar werd dood aangetroffen met drieënzeventig hotdogs in zijn maag.’ Maar die taak vervullen ze zo glorieus dat er weer enige trots in schuilt; alsof ze lijden aan een Stockholmsyndroom voor mateloosheid.

Alle personages zijn verweesd

Het openingsverhaal ‘Wezen’ is een doeltreffende deur de bundel in. ‘Ik ben weleens met iemand naar bed geweest omdat hij een wees was,’ begint het. ‘Misschien dat je zoiets instinctief aanvoelt. Misschien herken je een wees aan zijn richtingloze manier van bewegen.’ Als de ik-figuur later op de avond met de wees naar een zolderkamer slentert, leren we over deze samenkomst: ‘Onze voeten knarsten op de eerste sneeuw en ik bedacht dat je dit geluk zou kunnen noemen maar ook gemakkelijk het tegen- overgestelde daarvan.’

Wucks personages zijn allemaal op de een of andere manier verweesd. Simon uit ‘Delicatesse’ ziet zijn huwelijk sterven. Eerst hield zijn vrouw al meer van hun hondje Kip dan van hem. Nu is ze er met een supermarktslager vandoor. En Ron, hoofdfiguur uit ‘Ik dacht dat je dood was’ moet onder ogen zien dat zijn familie prima zonder hem kan. Als hij na een reis naar Nepal met de Sociale Dienst belt om uit te leggen dat hij ziek was en niet heeft gesolliciteerd, verklaart hij: ‘En mijn vrouw ook, eigenlijk is mijn hele familie ziek en steken we elkaar steeds weer aan.’ Datzelfde ‘Ik dacht dat je dood was’ is een zwaar beladen verhaal. Een personage dat te maken krijgt met een Jezuscomplex, achtervolgingswaan, een intercultureel huwelijk, goed doen in Nepal en latente pedofilie is uitbundig, en verdeeld over maar zes bladzijden. Of althans, de honger die je als lezer voelt opkomen wordt maar gedeeltelijke gestild. Andere notitie over deze Ron: misschien is hij psychotisch. ‘Hij wil bij de eenden horen. Achter hem denkt hij mensen te horen klappen.’ Ron zelf vat het zo samen: ‘Willen jullie eigenlijk weten wat ik de hele dag doe? Wachten tot het voorbij is.’

Er hangt een zorgvuldig opgebouwde Carveriaanse spanning in enkele verhalen. Ze bevatten vervreemdende en absurdistische elementen. Maar langs de lijnen van Camus’ absurdisme: weten dat het leven belachelijk is en toch doorleven. Ron is geen absurde held, aan het eind van het verhaal stapt hij in een wit gewaad het water in, doorleven gaat niet.

Het samenleven van de personages van Kira Wuck is van de tegen-de-klippen-opsoort. Aan het eind van ‘Wezen’ treft de ik-figuur de wees weer. ‘„Ik ben niet wie je denkt dat ik ben”, zei hij ineens. „Dat geeft niet,” zei ik, „zolang je maar blijft.”’ Dat is wat in leven zijn betekent in deze bundel: aanhoudend blijven proberen niemand te vermorzelen met wie jij denkt dat je bent.

NRC Handelsblad