Now is the winter of our discontent

Theatermaker december 2015
Feuilleton

Ik leerde: iets willen is dramatisch. Het verwezenlijken van het gewilde kan op ontelbare verschillende manieren lukken of mislukken. Nu is het Richard III, in de grote zaal, die iets wil. Sinds ik aan deze wand hang, leeg en open, koud en gewillig, heb ik Richard op zijn minst al vijfhonderd maal voorbij zien komen. Iedere keer dat er monologen klinken hierbinnen vinden die andere verbindingen met het hier en nu buiten. Vandaag staat de beroemde monoloog prompt hand in hand in de ruimte met een flard nieuws van een reporter op een Grieks eiland vlak bij Turkije. Die eerder vandaag opsteeg uit de radio van een jonge vrouw die alle lampen naliep.

De lange acteur zit voor me. Hij is mooi. Hij italiaant er al een tijdje doorheen. Scherp en puntig, geestig ook – ik houd van wat er licht is aan zijn zwaarte. Hij schuurt ermee, zijn woorden vallen soms beschuldigend in de stille ruimte, soms vergevingsgezind. Altijd met demonisch plezier. Hij repeteert de monoloog die ik al zo vaak gehoord heb. Dus ik dwarrel wat weg. Prevel hier en daar mee, wil hoofdschudden bij sommige delen, schouderophalen of handenwrijven bij anderen. Door m’n mond ademen als iets me werkelijk aangaat. Een lichaam te hebben. Zo een lichaam te hebben. Ik weet dat er mensen zijn die onsterfelijkheid verlangen. Die hun lichaam een ouder en trager wordende last vinden. Acteurs zijn misschien gezegend en vinden soms spoortjes onsterfelijkheid. Een ondeelbaar moment dat daarnaar reikt als alles samenvalt aan de voorkant. Maar man, man, man, wat zou ik graag een sterfelijk lichaam hebben. Een lichaam omvat door huid. Dat handen heeft die aaien kunnen, armen die kunnen vasthouden. Ik zou actief zijn, handelen, ergens naartoe bewegen, in plaats van altijd maar vanaf en naartoe bewogen worden.

Op het einde van zijn gescan door zijn teksten pas ik de tekst van Shakespeare aan. Ik fluister bij zijn laatste zin synchroon mee wat ik dan al sinds mensenheugenis mee fluister: ‘Een lichaam, een lichaam, mijn koninkrijk voor een lichaam.’

En daar doemt het beeld op van de kleine begraafplaats op het Griekse eiland Lesbos dicht tegen Turkije. Het kerkhof is vol. Er is geen plek meer in de kouder wordende grond voor de lichamen van mensen die sterven op zee. Er wordt massaal gevlucht voor oorlog. Gevlucht onder een overvol luchtruim vandaan waar twaalf verschillende partijen bombarderen. Tijdens hun tocht richting het veilige Europa sterven velen op zee. Zoveel inmiddels dat hun lichamen in koelcontainers moeten wachten op een plek in de grond.

Ineens hoor ik de omkering. ‘Een koninkrijk, een koninkrijk, hun lichaam voor een koninkrijk.’ Als ik armen en een gezicht had gehad hield ik mijn verlangen nu met hete wangen dicht tegen me aan. Richard is er doorheen en hij staat op. Kijkt me recht aan. zijn gezicht breekt open in een glimlach. Hij steekt zijn middelvinger op. Beent weg.