‘we vergaven onszelf onze sekses en wisselden deze om’

Toeval of niet, in mijn vorige recensie besprak ik de bloemlezing van Eva GerlachOpzij van het kijken en de titel van de debuutbundel van Hannah van Wieringen, genomineerd voor de C. Buddhing’-prijs 2014, is Hier kijken we naar. Kijken naar iets en daar dan ook weer aan voorbij en onder, als dichter heb je er heel wat mee te stellen.

In het gedicht ‘over wat poëzie‘ staan de regels: ‘de hele grote onmogelijkheid van het enorme volle alles/ die knappende ballon in je uitklappende gogogadget borstkas’ en even later: ‘die opgeschepte onmogelijke veelheid / verbinden aan het verbijsterend kleine niets / laten we zeggen / aan het sneeuwklokje in het aardenwerken potje’. Dit kun je het credo van haar poëzie noemen.

Vaart
Er zit veel beweging in haar gedichten, het is een soort reis door ruimte en tijd, die begint in haar jeugd met de onbevangen taal van een puber, nieuwsgierig, verlangend en ook verontrust, hoe gaat dit leven verder? De vaart zit er ook in omdat veel van haar gedichten heel muzikaal zijn en de associaties soms over elkaar heen buitelen. Ervaringen verschijnen vaak in de we-vorm. Het brengt de tekst dichterbij de lezer. Neem het gedicht ‘wij zeven’ wat zo begint:

we hebben ons niet-aflatend op het uitzicht afgeworpen neergelaten
afgeschoten als jonge vossen snaaks gebrand op alles openmaken
afvangen verorberen we hebben ons blootgesteld aan alle gemis lachend
vliegtuigen in treinen door we hebben titels behaald huizen gebouwd
wanden gestuct we hebben ze weer afgebroken puinzakken vol sjouwden
we smalle trappenhuizen af we hebben op verschillende manieren onze
kinderen teruggebracht neongroen spuugden we gal toen we wegrenden
van ons geluid we hebben met onze lichamen een vlucht spreeuwen
geïmiteerd in valvluchten langs avondluchten gestreken wendbaar

Een reis naar volwassenheid, een gedicht dat maar voort dendert zonder hoofdletters en interpunctie in prozavorm en in de laatste strofe springen ze samen in te ondiep water.

We kijken niet achterom
Het woord ‘niet’ komt vaak voor en dat herhaald ontkennen maakt dat iets juist wel kan gebeuren. In het gedicht, ‘wat we niet zijn’, staat in de derde strofe:

‘moeders roepen op de dijk / boven de grasgrens onder de grasgrens / niet komen / niet luisteren / afbakenen met niet zijn / bijna vrienden bijna lief’. En dan volgt later de verontrustende zin: ‘we zijn nog heel en het gaat stuk’.

En het gedicht ‘we kijken niet achterom’ begint met:

en iedereen was model geworden
we waren hol en hongerig
je kon iets anders over ons heen schuiven
wij stonden ergens voor
we keken niet achterom
gedachtes over onszelf welden op
uit onze kleine beeldschermen
weer andere mensen vonden op die manier rijkdom
niet langer verbonden we het geluid in schelpen met de zee
iedereen was model geworden
we stonden voor iets anders
we dansten dicht op de boxen
we keken daarbij van elkaar weg
naar onze eigen lichamen
we keken niet achterom

Dit gedicht wordt in de tweede strofe steeds beeldender met concrete details als ‘hoge broeken om onze heupen, we fotografeerden onszelf, multi colored rainbow little ponies’. De zin ‘we vergaven onszelf onze sekses en wisselden deze om ’ is ijzersterk, terwijl de fantasie het hier steeds meer overneemt. Een meisjesleven uit een keurslijf brekend, ik lees het vaker.

Prozagedichten
Het gedicht ‘totalitaire litanie’ kun je net als ‘wij zeven’ bijna proza noemen, de zinnen vormen een verhaal, de afbrekingen zijn vrij willekeurig. Maar de muzikaliteit, de concentratie en het over elkaar heen buitelen van de associaties maakt het voor mij toch een gedicht. En je kunt goed zien dat Van Wieringen ook toneelteksten schrijft. De ik-figuur praat maar door over de gevaren van een meisjesleven, in een wereld met internet en media vol oppervlakkigheid en onverschilligheid, ‘de mensen winden zich op alleen als andere mensen kijken’. Ze spreekt tegen haar zusje, tegelijk tegen haar eigen ik en tegen mij als lezer, een heel mooi gedicht.

Kortom, ik wordt meegevoerd door haar originele observaties, haar fantasie en rijke beeldspraak, waarbij haar muzikaliteit een belangrijke rol speelt. Niet alle gedichten vind ik even sterk. Ze zet goed in met een serie jeugdherinneringen, verlangend de wereld in te trekken. In de eerste seksuele ervaringen zijn in een onderstroom ook niet te stuiten verlangens en gevaren zichtbaar. Het gedicht ‘o veelheid’ eindigt met: ‘o wij- één denderende massa/ één over zichzelf heen struikelende/ kudde ademende dieren/ die poot aan poot de wereld omvat o’.

Soms, later stapelt ze mooie beelden op, maar hebben die nog weinig diepgang, zoals bij de gedichten, ‘doorkijkbloes’, ‘wat liefde niet is’, ‘wat stenen niet weten’ en ‘hoe de wolf sprak’. Hoewel ze in korte bondige gedichten goed kan zijn, zoals in ‘panorama bar’, vind ik haar langere gedichten het beste. Teksten waaieren dan uit in een opeenstapeling van beelden.

Het gedicht ‘een bron’, bijna aan het eind van de bundel zou voor mij een mooie afsluiting vormen. Hierin spoelt ze de film terug, draait beelden weer om en probeert achteruitlopend de ervaringen weer ongedaan te maken. Zo zet ze het bijna onmogelijke van dichten nog eens goed in beeld. De bundels van de drie andere genomineerden heb ik nog niet gelezen, maar ik vind Hannah van Wieringen een goede kandidaat, met mogelijkheden om nog beter te worden. – Aly Freije