Waar het licht

Theatermaker juni 2016

Feuilleton

Een tijdje geleden kwam er hier een energieke figuur met blonde krullen in een donkerblauw kreukelig pak binnen. Onder haar ene arm een koker waar een rol papier uitstak en in de hand hield ze een iPad. Over haar schouder een aktetas. Ze legde alles op de tafel voor me en stapte met zware passen weg. Ik hoorde haar in de gang mensen begroeten. De stemmen verwijderden zich weer. Gepiep van een achteruit inparkerende vrachtwagen zwol aan. Kort na dat bezoek begon hier de omwenteling.

Er was een acteur ooit die een atoomgeleerde speelde in een stuk over zijn reis naar Kopenhagen. Als ik het goed heb begrepen zijn we allemaal opgebouwd uit datzelfde: atomen. Dat complexe apparaat dat voor me heen en weer bewoog, het lichaam, ik kon haast niet geloven dat we van hetzelfde waren gemaakt. Maar ik geloofde. Ik keek. Met liefde en aandachtigheid naar hoe het rood kon worden, bleek, hoe het broos en krachtig kon zijn. Hoe het schallen kon, scheten liet, hoe het groeide, in elkaar kromp, hoe het tegenstrijdigheden in zich verenigde. Het werd misschien mijn heilige graal. Elke uitlating ervan volgde ik op de voet. Ik droomde van een lichaam voor mezelf.

Inmiddels staat het hier al een tijdje leeg. Ook vanavond geen voorstelling, geen stukken tekst voor mijn neus gerepeteerd, geen acteurs. Plastic zeilen, lawaai van neergehaalde wanden, geratel van metaal op metaal en over alles een wat stoffige waas. Ik wil wel toegeven dat ik gedesoriƫnteerd ben, het is nogal ingrijpend: een week geleden ben ik van de muur getild. Alles anders en toch ook niet. Ik wil zeggen: ik kan het iedereen aanraden, maar daar is het misschien wat vroeg voor. Nu is het met name opwindend en beangstigend.

Sinds een week sta ik voor een raam. En als ik durf kijk ik, kleine beetjes tegelijk. Met name de blauwe lucht met de wit jagende wolken er langs is nogal adembenemend. En zojuist zag ik een dier vanuit die lucht zweven en op een tramhalte landen. Hij stond daar, hele spanwijdte ging open en weer dicht. Alsof hij zichzelf onder zijn eigen oksels wegstopte. Behoedzaam balanceerde hij op hoge poten, die andersom leken te scharnieren. Van de tramhalte dook hij nog weer lager en traag stapt de vogel daar nu over het plein, plechtig buigt hij het hoofd en klemt hij gevonden voedsel tussen zijn puntmond. Magistraal werpt hij zijn lange hals naar achter, ongelofelijk, hoe hoekig, hoe elegant. Is hij de bode van een nieuwe tijd? De woordvoerder van de grote omwenteling van 2016? Ik wacht gespannen op zijn teken. Kennelijk ben ik ook van blauwe lucht gemaakt, van slingerende fietsen, vrouwen in ondergoed op een billboard, van vogels op hoge poten. Ik ben van knetterende bovenleidingen gemaakt, van een langzaam vol en weer leeglopend glas bier dat tegen de avondlucht hoog boven de huizen licht staat uit te stralen.