bij Tramlijn Begeerte door Toneelgroep Oostpool

| Tovenarij

De premiere van Tramlijn Begeerte in de Arnhemse Schouwburg. Het weergaloze verhaal, dat vanaf de eerste woorden als een losgebroken en tegelijk angstig beheerst dier op je af komt stormen, komt tot zijn schrijnende climax. ‘Help-haar!’ Wil ik roepen vanaf rij 9 ergens middenin, – ‘Waarom-helpt-niemand-haar!’ Maar het laatste woord is gesproken. Donkerslag. De geladen stilte vlak na de voorstelling en vlak voor het applaus. De meest volle leegte. Zaallicht aan. Dan applaus. Het dankwoord dat je als publiek tot je beschikking hebt. Uit de gezamenlijke ervaring klappen we onszelf terug in ons eigen lichaam.

Die avond, na het applaus stromen we de zaal uit, de trappen op naar de bovenzaal, stil, aangedaan na de teloorgang. De glitterende dansvloer lijkt vooralsnog een onmogelijkheid. De schalen met hapjes nog even veel te gezellig. We zwijgen nog altijd, glimlachen flauwtjes naar elkaar. Hannesen toch maar met hapjes in plastic bakjes en aangereikte glaasjes prosecco. Mijn gezelschap ziet een bekende en ik sta  alleen bij de deur. Met de woorden ‘wat heb ik met mijn zus gedaan’ nog galmend in de oren kijk ik op. Enter heer in tweedkamerjas. Moedig mode moment, denk ik nog. De ogen boven de kamerjas kijken geamuseerd mijn kant op en dan is het al te laat. ‘Dag,’ groet ik. Ik ben een beetje een lul met gedag zeggen. Lees: ik heb er niet echt controle over. Hij knikt. Hij lijkt verbaasd zoveel mensen in zijn woonkamer te zien en tuurt om zich heen. Naar zijn leunstoel? A la Olivier B Bommel? Gaat het wel goed met hem, denk ik ongerust. Misschien is: gaat het wel goed met mij, gepaster. Is er hier niet vlakbij een crisisopvang?

‘Wat brengt u hier vanavond?’ vraag ik zo neutraal mogelijk, – ik wil niemand beledigen met veronderstellingen. Voor het gemak negeer ik dat hij op zijn sjieke pantoffels in verdacht romantisch sepia naast me staat. ( Denk instagram filter.) Hij spreekt zacht en een beetje geaffecteerd. ‘Ach. Als er werkelijk zoveel mensen eenzaam zijn, waar het wel naar uitziet, zou je wel een onvergeeflijke egoïst zijn, in je eentje eenzaam te zijn.’ Ik knik verbijsterd. Dit lijkt me bij uitstek een goede reden voor theaterbezoek. Dus ik houd mijn waffel om het moment niet te verbreken. We staan zwijgend zij aan zij, de voorbij schuifelende menigte in te staren. Mijn gezelschap stapt door het glittergordijn onze kant op. De heer draait zich om. ‘Gaat u alweer?’ vraag ik. Moet ik iets doen? Meelopen? Hij draait zich half naar me toe. ‘Soms is het tijd om te gaan.’ Ik knik een beetje onhandig, alsof ik dat begrijp. ‘Ook al heb je geen bestemming.’ Ik besluit dat dit moedig is, hoe dan ook. En vertrouw hem. Hij beweegt zich langzaam door de mensen richting uitgang bij de bar.

Mijn gezelschap slaat een arm om me heen. ‘Ik wil ook tovenarij,’ stiet ik uit. Mijn gezelschap volgt mijn blik. ‘Wie was die man?’ ‘Weet ik niet’

Zeker weten, Tennessee Williams. Zeker weten.