De Argonauten

De Argonauten, Maggie Nelson
‘Aan de ene kant de aristotelische, wellicht evolutionaire behoefte om alles in hokjes te plaatsen – roofdier, schemering, eetbaar – en aan de andere kant de noodzaak om recht te doen aan het transitieve, de vlucht, de grote brij van het bestaan waarin wij feitelijk leven.’
Je zou kunnen stellen dat het werk van Maggie Nelson (1973), dichter en cultuurcritica altijd in teken staat zichzelf en zo ook de lezer van die eerst genoemde aristotelische hokjesmentaliteit te ontdoen. In haar laatst verschenen werk De Argonauten (2015) thematiseert ze zelfs het niet-categoriseerbare. Dat wat zich niet in hokjes laat plaatsen is met name het intieme, dat Nelson zeer invoelbaar naderbij haalt in deze genre-bending memoir.

Vorig jaar las ik, onder de indruk, haar poëziebundel Bluets uit 2009. Ik noem het poëziebundel, maar – het draagt een motto uit Pensées van Blaise Pascal, het zou ook ‘traktaat’ kunnen heten of ‘personal essay.’ Tweehonderdveertig genummerde fragmenten, die fijnzinnig gerangschikt, verhalen over een diepe voorliefde voor de kleur blauw. Tegelijk klaart een ik-figuur meanderend langs werk van dichters en denkers een groot (liefdes)verdriet. De vorm draagt bij aan een zekere alertheid bij het lezen. Zoals je soms beter luistert als je in gesprek bent met een vreemde.
Dat effect heeft De Argonauten ook. Het verweeft op losse wijze persoonlijke herinneringen met kunstbeschouwingen. En net zo makkelijk uiteenzettingen uit de gendertheory met hele delen liefdesbrief. Zo kwam ik ook te denken aan Virginia Woolf’s Orlando, ‘de langste en charmantste liefdesbrief in de literatuur’. Ook in De Argonauten verandert een van de hoofdrolspelers van geslacht. Het opent met een roemruchtige beschrijving van een seksuele ontmoeting tussen Nelson en Harry Dodge, beeldend kunstenaar en een ‘butch on T’. Wat betekent: een stoere lesbienne, die testosteron injecteert omdat hij zich als man identificeert en zo ook voor de buitenwereld zichtbaar wil worden. Wat ik prettig vond, Nelson is nergens zoetsappig. Haar bewondering voor het geestelijke en lichamelijke lijken even intens. Er is sprake van ‘Molloy’ van Samuel Beckett op een nachtkastje en ‘een verzameling pikken in een schemerige, ongebruikte douchecel’. Wat wil een mens nog meer vraagt ze zich af. Ze zegt de woorden ‘ik hou van je’, – misschien te snel. ‘Een dag of twee nadat ik je mijn liefde had verklaard, met een inmiddels haast dierlijke kwetsbaarheid, stuurde ik je de passage uit Roland Barthes door Roland Barthes waarin Barthes uitlegt dat het subject dat de zin ‘Ik hou van je’ uitspreekt, net is als ‘de Argonaut die tijdens de reis het schip vernieuwt zonder de naam de veranderen.’’
Harry Dodge wantrouwt woorden veel meer dan Nelson doet, die zichzelf omschrijft als iemand die zo van praten houdt, dat er mensen zijn die als ze begint al verzuchten ‘daar gaat ze weer.’ Mooi maakt Nelson inzichtelijk hoe zwijgzaam en praatgraag elkaar naderen in hun beginnende liefde.

Dodge en Nelson willen niet trouwen, maar even ziet het er in 2009 naar uit dat de staat California door ‘Proposition 8’ het eerder aangenomen homohuwelijk moet terugdraaien. ‘We stonden ervan te kijken hoe geschokt we waren, alsof ineens een passief, blind vertrouwen was blootgelegd, een vertrouwen dat het morele universum uiteindelijk altijd zal afbuigen in de richting van het rechtvaardige.’ Een haastige ceremonie in de Hollywood Chapelvolgt. En Dodge gaat verder in transitie, borstamputatie volgt, terwijl ook Nelson een transitie doormaakt. Zij raakt in verwachting van hun zoon Iggy en wordt voor het eerst moeder. Ze schrijft nuchter en bevangen over haar ervaringen. Over de afspraken in het ziekenhuis voor de bevruchting, over haar moederschap. Hoe ze stiefmoeder is van de zoon van Dodge uit een eerder huwelijk. Over haar relatie met haar eigen moeder. Dat nuchtere heeft te maken met hoe nietsontziend ze observeert. ‘Ik zei tegen je dat ik wilde leven in een wereld waarin niet trots het tegengif is voor schaamte, maar eerlijkheid.’ Harry’s tegenwerpingen ten opzichte van die eerlijkheid, waar hij tenslotte onderwerp van is, krijgen ook ruimte in haar verslaglegging. Waarvan je kunt denken dat het enigszins koket is, totdat Dodge’s stem uiteindelijk genereus eigen ruimte krijgt. Wat Alma Mahler’s ‘MIjn leven’ ( Privedomein) in gedachten bracht. Daar krijgt haar echtgenoot Franz Werfel ook genereus eigen ruimte in het verslag van haar leven.

Wat betekent het om een familie te zijn, dat is de vraag waar ze uiteindelijk bij uitkomt. Dat zijn ze immers geworden. Wellicht dus toch een hokje? Ondank haar eerdere glorificatie van de glibberigheid, het niet vast te pakken zijn. ‘Hard to get’ had Nelson op haar knokkels willen laten tatoeëren. Nu weet ze ‘dat een geforceerde ongrijpbaarheid zijn eigen beperkingen kent.’ En omarmt ze ‘het genot van verantwoordelijkheid, het genot van afhankelijkheid. Het genot van alledaagse toewijding.’ Een conclusie die me deels een noodzakelijke rationalisatie lijkt die bij ouderschap hoort.

Ergens halverwege hun lovestory beschrijft ze hoe Harry een talisman voor haar achterlaat, om zich beschermd te weten, als hij er niet is, een soort boomstronk, waar stevige bouten uitsteken. Nelson houdt de talisman naast haar bed, niet ‘omdat ze perse denkt dat ze het op ons gemunt hebben, maar omdat hij het brute iets teders verleent.’ Een omschrijving van liefde die me zeer accuraat voorkomt. – NRC Handelsblad