Het gemis van de vis – betoog

Het gemis van de vis – betoog
bij Mijn leven is mooier dan literatuur Jannah Loontjens

Ik nam deze uitnodiging graag aan, de titel van het boek deed mij op veren. Het is een stelling die veel in mijn gedachten voorkomt.

Ik ben gevraagd te spreken over Hoofdstuk 2, het treft, want dat gaat over lezen en ik ben een lezer. Iedere schrijver die zegt niet te lezen wil ik hartstochtelijk wantrouwen. Ik schaar mij bij de bewonderaars, de herlezers, de bejubelaars. De zoekers naar de perfecte zin.
Zo las ik de poëzie van Jannah voor het eerst, tien jaar geleden– ik droeg de bundel ‘Varianten van nu’ weken bij me. Ik dreigde in die tijd verliefd te raken op een misschien te gek meisje. Zij had op haar buik in spiegelschrift een zin uit 1 van Jannah’s gedichten geschreven, dat moet van een moeilijkheidsgraad geweest zijn, waarbij ze dus ook nog ondersteboven en dan.. nou goed. Het lukte haar waarna zij in het pasfotohokje op CS haar t shirt omhoog had gehouden en zo foto’s van haar volgeschreven buik verkreeg die ze middenin de nacht onder mijn raam, toch wel iets te dronken roepend kwam aanbieden. In een slapstick-achtige scène wilde zij haar buik onthullen en stapte zij achteruit een trapje af. Ik roffelde in slaap t shirt naar beneden, om aldaar te moeten constateren dat de gevallen vrouw tevreden glimlachend op haar rug in de fietsenkelder van de overburen lag en fluisterde: Je bent mooier dan de maan.

Over lezen, over hoofdstuk 2, ik installeer me met het boek, en lees, zo is de volgorde, eerst dan het voorwoord en hoofdstuk 1.

Mijn gedachten nemen gelijk een vlucht. Jannah, in de eerste zin van het voorwoord zeg je dat de vraag of het leven mooier is dan literatuur een onbeantwoordbare is. Dat literatuur verweven is met het leven. En hoewel voorgenoemde anekdote dit in zekere mate illustreert: Nee! ging ik, met mijn potlood en mijn aantekeningenboekje. Nee! Want. Nee. Want. Wij schrijven naar het leven. Het leven komt eerst. Eerst mens en dan schrijver. Dat is voor mij van ‘levens’ belang wil ik zeggen.

Dat zal ik toelichten.

Recent kwam mijn eerste proza werk uit. Daarvoor schreef ik poëzie en toneel. Om prozaschrijven te onderzoeken vertrok ik een aantal maanden naar Berlijn. Ik heb altijd op gespannen voet geleefd met het schrijven, ik vind het zo een luxe. Ik heb gedacht, dat als je schrijft, je het leven afwijst. Als je je zeer vrolijk zit te maken, over een zorgvuldig voorbereid moment in de toekomst en wat acteurs daarin gaan zeggen, ergens in de veilige donkerte van een theater, dan verhoud ik mij niet tot het gevaar, de vragen van het leven zelf, de mensen om mij heen die een grap of luisterend oor nodig hebben. Ik mocht daaronder lijden van mijzelf en dat lijden heb ik wel gecultiveerd. Misschien dacht ik soms zelfs wel, dat het beter werk opleverde als het offers vergde in de werkelijkheid. Ai. Ik nam mijzelf een beetje te serieus. IJdel van mij. Ik probeerde zo misschien zelfs het schrijven te rechtvaardigen. Als je schrijft en zelf vindt dat je kunst rechtvaardiging nodig heeft, dan wil ik zeggen: met zulke vrienden heeft de kunst geen vijanden nodig.

Middenin de afzondering voor dat prozawerk werd mij duidelijk dat het schrijven juist mijn grootste eerbetoon aan het leven is, geen afwijzing. Dat ik in mijn werk, evenveel als in mijn leven, dat leven dien te eren. Ik weet nu: ik schrijf omdat ik soms van geluk streepje ongeluk niet weet waar ik heen moet met mijn gevoelens en gedachten over het onbegrijpelijke verweesde geheim dat ik in leven ben. En de literatuur is een middel om dichterbij dat geheim te geraken, en die moeite die ik daarvoor doe, moet ook van dienst zijn voor anderen. Het schrijven geen doel op zich, maar een middel. Dat de taal tergend ontoereikend kan zijn, onbetrouwbaar zelfs, dat woorden vaak niet buigzaam genoeg zijn voor het wezen zit hierbij inbegrepen.

Terug naar mijn werkruimte, ik heb een taak hier, deze lezer leest door, door naar hoofdstuk 1. Een hoofdstuk aan het begin van een boek over hoe toch te beginnen het begin van een boek. Ohjee. Wil dit hoofdstuk het schrijverschap problematiseren. Maar waarom? Ik heb juist altijd zin. Een zin die ik een plicht acht. Ik zou die zin hier willen benadrukken. Er wordt wel gezegd: Theater is de kunst van het voorbereiden. Ik ben iemand die tijdens een diner zes gangen lang een wit konijn onder tafel op schoot wil houden zodat ik het bij het toetje te voorschijn kan halen. Het verlicht, het is leuk, dat wij die moeite nemen voor onze tafelgenoten, om een konijn zo lang op schoot te houden. Het ontzet ons.

Maar boeken over schrijven tonen meestal niet zo’n zich verkneukelende schrijver met een konijn op schoot. Die gaan niet over gezonde nederigheid tegenover zo iets groots als de wens een boek te schrijven. De boeken over schrijven gaan meestal over hoe zwaar en moeilijk schrijfprocessen zijn. Die boeken klagen meestal. Over schrijven wordt veel geklaagd door veel schrijvers. Goed, dit punt ligt voor de hand, ik ben tegen klagen, wie niet.

Dan, stel er zijn boeken over schrijven die het schrijversschap niet problematiseren, dan onthullen ze alsnog, iets dat ik zelf graag geheim houdt. De gevoelens van de schrijver bij het schrijven, zijn intenties, wetenswaardigheden die niet in het uiteindelijke werk terecht zijn gekomen. Meestal om een heel legitieme reden.

Of, zoals mijn grootmoeder eens zei, bij binnenkomst, ‘Nou, had ik toch bijna paling meegenomen’. Ja. Daar heeft niemand iets aan. Of je neemt paling mee, je schrijft de beste zin, of je doet het niet en schrijft niet. Zeggen dat je paling mee had willen nemen is zinloos geweld. Woorden vervangen de daden niet. Bovendien, anders dan op toneel, is taal in de werkelijkheid, zie Blanchot, die je noemt, geen scheppende macht. Na het woord paling zonder werkelijke paling is het gemis van de vis geboren.

Voor mij geldt: ik wil de beste zin schrijven. Hoe ik daar toe kom, is prive. De eventuele worsteling van de schrijver, ­­– nee, deze is geheim zelfs in mijn ogen. Het is een te ver doorgeslagen soort van human interest, die jij ook analyseert in hoofdstuk 4, waar ik mij verwijderd van voel. Ik houd de verantwoordelijkheid voor mijn leugens graag bij me. Ik verzin iets voor u en zal proberen dit zo te doen, op zo’n manier dat de naden en knoopsgaten van die constructie zo mooi verzonken zijn in de stof van deze fictie dat ze verdwenen lijken.

Over die verantwoordelijkheid voel ik een grote nederigheid. Een woord dat ik zou willen ontdoen van zijn negatieve associaties. Die nederigheid gebiedt mij niet uit de school te klappen. En zorgt voor deze wrevel bij schrijven over schrijven. Salinger zwijgt. Zijn werk spreekt.

Om af te ronden.
Het schrijven is een kunstmatige ordening van de werkelijkheid om via het werk contact te leggen met in ieder geval 1 iemand. Ik wil stellen dat de literatuur alleen waarde kent dankzij de werkelijkheid. Het leven is mooier dan literatuur. Uiteindelijk zal niemand toch ontkennen dat de groeven die het sterven op papier nalaat van een andere orde zijn dan die van het sterven in de werkelijkheid?

En ook, hoezeer ik mijzelf een lezer acht, hoeveel liefde ik ook kan voelen voor boeken, er is nog nooit een boek overeind gekomen om mij te omhelzen.