Abdoel en Akil

De roman van Yolanda Entius doet verslag van het resoneren van seksueel geweld, zonder daders en slachtoffers versimpeld te representeren.
Hoezeer wij mensen beïnvloedt worden door vooroordelen, daarover handelt Abdoel en Akil, de nieuwe roman van Yolanda Entius. Ze toont ons dit aan de hand van het immer nabije gevaar van seksueel geweld, en op welke manier het geweld meebeweegt met de levens van drie vrouwen. De roman is doortrokken van dit bewustzijn: hoe de zaken nu voorgesteld worden, het kan ook anders. Het ligt er maar net aan wie je het vraagt én wanneer. Entius vraagt ons via deze roman na te denken over de verantwoordelijkheid jezelf als maat der dingen te hanteren.

Het boek Abdoel en Akil komt in drie delen. Schuld, Angst en Schaamte. In deel I ontmoeten we drie jonge vrouwen, Nola, Doris en Gaby, rond de zeventien jaar oud, op een eerste reis naar het zuiden van Frankrijk. Onderweg naar hun camping ontmoeten zij ene Andre, een jongeman die hen vraagt met hem onder de blote hemel nabij een riviertje te slapen. Hun instemmen, dit afwijken van het gebaande pad, zet de serie handelingen in beweging waar de roman omheen gerangschikt is. De idyllische ervaringen vangt Entius via Nola zachtmoedig: ‘Ze at tomaten met zout, knapperig brood en olijven, en liet zich meevoeren met de rivier die haar aan land gooide waar het haar behaagde. ( ..) ze was gelukkig.’ Deze Andre maakte foto’s van het geluk. ‘Van Gaby, van hen, (..). Ze waren naakt en bruin en zonder schaamte.’

Via de beschrijving van de paradijselijke vakantiefoto’s trekt Yolanda Entius ons achter de beelden de ervaringen in die zij wil behandelen. Nergens doet zij dat beschuldigend, nergens in de kleur van de hetze, nooit frontaal, steeds zijdelings. Alsof ze ook wil zeggen: iedereen, man en vrouw gelijk, is buiten zichzelf om in het lichaam geworpen dat hen toebedeeld werd op aarde. Ze laat de jonge vrouwen het paradijs van de jeugd verlaten via de seksualiteit. Eén van hen vertrekt met Andre, de andere twee ontmoeten enkele dagen later opnieuw onbekende jongemannen, die hen meevragen. Volgens de wetten van de (nog) absolute geest van de adolescent moeten zij ook nu instemmen. Misschien nog wel halsstarriger omdat het jongemannen uit Tunesië betreft. En zij willen goede mensen zijn. Dat zij daarvoor haar best moet doen, laat de jonge Nola deduceren dat zij het niet is, een diep menselijke denkfout. Doris en Nola wandelen met de jongemannen een donker bos in, richting een kasteel. Zij worden van elkaar geïsoleerd. Zij worden aangerand en verkracht.

Scherp toont Entius de morele verwarring over schuld en verantwoordelijkheid, die hen treft. Hartverscheurend beschrijft zij hoe de twee vrouwen die onderhevig zijn aan het seksuele geweld toenadering zoeken. Hoe zij hun ervaring wel en niet met elkaar kunnen delen. Nola vraagt Doris: ‘Of zij, net als Nola, de blauwe lucht had gezien?’ Dat heeft Doris niet. Doris is een zintuiglijker waarnemer dan Nola. Die een meer relativerende inslag heeft. En Doris heeft haar ogen moeten sluiten. Haar belager verdroeg haar niet als getuige. Entius omschrijft de ervaring van Doris als volgt: ‘Er druipt zwarte olie uit Doris’ ogen, uit haar oren, neus en kut. Het vouwt zich als een doodsvlies om haar heen.’ Eén van de wrange inzichten die de vrouwen uiteindelijk verwerven is misschien als volgt te definiëren: terwijl je de risicoanalyse verfijnt en de kennis hierover toeneemt raak je eveneens doordrongen van het feit, dat risico-analyse, hoe verfijnd ook, nooit in staat is om het immer nabije gevaar werkelijk kalt te stellen.

Entius formuleert verbijsterend confronterend; soms met onthutsende lichtheid. In een stijl die ik onderkoeld elegant wil noemen. In een enkele zin vangt ze de ambigue liefde van een moeder, die aanvankelijk niet in vertrouwen is genomen. De moeder: ‘Dat haar nu ook nog dit moet overkomen.’ En verderop in de geschiedenis, als de vrouwen veel ouder zijn, treft Entius de eenzaamheid van ongeneeslijk ziek worden als volgt: ‘Ik moet het vandaag nog tegen iemand zeggen, (..). Hier op dit feestje, op deze langste dag.’

Het knapste van deze roman is dat het Entius lukt invoelbaar te krijgen hoe in de loop van hun leven het trauma de vrouwen wel én niet definieert. Dat het Doris en Nola tegelijk wel en niet onherstelbaar geraakt heeft. Alsof het immer wordende er door beroerd is, maar het zijnde, het blijvende er ‘naast’ gekeken heeft en dat het in het geval van Nola blauwe lucht heeft gezien. En in het geval van Doris heeft het zich ‘dicht geritst in iets zwarts.’ En dat die twee van elkaar verschillende uitgangsposities reeds vast stonden, beschreven in de aard van hun DNA als het ware.

In het universum van deze roman is dat wat mensen op aarde doen: zich handhaven in een bedreigende én veilige werkelijkheid vanuit de hen aangereikte uitgangspositie. Die, al was het maar door de pure begrenzing van de huid die onze lichamen omvat nooit dezelfde kunnen zijn. Als iedereen de maat der dingen is, zouden wij in staat moeten zijn, die maat te relativeren. Hiervan doordrongen raken, dat is in mijn ogen het pleidooi van Yolanda Entius. Hierdoor is Abdoel en Akil een zeer belangrijk boek te noemen.