Waarde Laurie Langenbach,

De Rijp, 28 mei 2017

Met veel plezier las ik uw debuutroman Geheime Liefde uit 1977. U moet weten dat deze is opgenomen in het Privé-domein ‘Brieven, dagboeken en een geheime liefde,’ dat zo pas bij de Arbeiderspers verschenen is. Een bundeling, waar uw stem zo levendig uit opklinkt, dat het juist leek u terug te schrijven. Het spijt me zeer dat u jong stierf, ik had u graag eens getroffen. En u gevraagd naar uw liefde voor het werk van Colette (1873-1954) en gedachten aan een nieuw boek. Als het laat zou worden zou ik hopen dat u zou zingen uit eigen werk,- u moet wat zijn geweest, live.

In essentie is Geheime Liefde een roman in de hoofse traditie. Via de onbereikbare geliefde, de motor van het werk, leren wij over de ontwikkeling van een levenslustige ik-figuur, die haar tijd, – post seksuele revolutie, midden tweede feministische golf, te lijf gaat met de haar beschikbare middelen. U schrijft nogal treffend en hoekig. Hier en daar werkelijk lomp – dat moet me van het hart, maar met brille en zinnelijkheid. Het is ook uw lompheid die me lief is. U zegt bijvoorbeeld: ‘Ik was verliefd op een van de matrozen. Hoe hij eruitzag weet ik niet meer.’ Mede deze vertellende oprechtheid geeft het boek een glans. Of over Borneo, waar de ik-figuur opgroeide: ‘Vanuit het vliegtuig leek het op een boerenkool in de oceaan.’ Ook uw scherpzinnigheid maakt vrolijk, u schrijft over enkele leraressen aan een grauwe meisjesschool in Den Haag: ‘Het leek alsof al die vrouwen de oorlog hadden verklaard aan de vreugde.’ Als de ik-figuur in Amsterdam arriveert beschrijft u haar opwinding zo: ‘Hier was kracht, hier was kleur, hier was beweging!’

U schrijft veel over vorm. De ik-figuur stelt zich vragen over esthetisering en de politieke implicaties daarvan. Hoe ik het lees zet uw ik-figuur schoonheid in om controle te genereren. Controle over de ongenaakbare ander, controle over het grillige zelf. Wat u overigens over de eerste ontdekking van de grilligheid schrijft als machtsmiddel over mogelijke geliefden trof me. U toont daarna dat oog in oog met liefde de ik-figuur deze grilligheid niet langer wenst in te zetten. ‘Wat ik van je wil is niet door list te verkrijgen.’ De paradox van de geoefende verleidster, zelf verliefd. U treft mooi en pijnlijk hoe in het licht van die liefde bijna alles op naspelen lijkt. Steeds voldoet wat er tussen de ik-figuur en de begeerde voorvalt niet aan de zuivere wetten die uit de hoofse liefde lijken voort te komen. Alleen de ruimte om te bewonderen geeft troost.

Hier en daar schuwt u de gemeenplaats niet. Zelf stelt u in Literair dagboek ( 1977-1978) ‘…ik wil over de werkelijkheid blijven schrijven, want nog steeds lijkt het mij toe dat de werkelijkheid meer ter zake doet dan welke kunstgreep ook.’ Een enkele gemeenplaats misstaat. U situeert de seksueel vrije ruimte steevast in voormalig koloniën, een zienswijze die wij vandaag als kwalijk opmerken. En ook in de stereotypering van een gay best friend Ricardo werkt uw lompheid tegen u. Ik bedoel: In kimono en g-string, aan champagne sippend over penis-lengte orerend, ja? Echt allemaal? Hoe u over vriendschap schrijft is sterk. Ergens noteert u: ‘Onze verhouding is gebaseerd op ideeën. Daarin ligt zijn kracht. Je werpt een idee op, het wordt gevangen en mooi uitgebouwd naar je teruggeschoten.’ Maar het is deze levensvraag die het hoogst oprijst uit uw boek: ‘Hoe verbied je jezelf te dromen? Hoe verjaag je visioenen?’ Dit gaat mijns inziens in essentie over het verlangen naar, maar het moeten afleggen van het Ideële, ten faveure van een grotere werkelijkheidszin. Alle toevalsincidenten ten spijt, die verbanden worden niet in de werkelijkheid achtergelaten door een onzichtbare hand, die voor ons in de weer is.

Hoewel hiermee natuurlijk was aangetoond dat uw debuut in feite niet over hem gaat, volstaat het niet, geen melding te maken van het object van uw affectie. Dat gemodelleerd is naar schaker Jan Timman, wiens naam u beschermd. Een dromerige, introverte, misschien geniale  jongen. Veel van de ontvangst ging dan ook vooral over dit non-fictieve element. Wat u wel in de hand werkte door uw roman te eindigen met een verontschuldiging aan zijn adres. Een verwatering van het literaire werk, die ook aan de aandacht van uw uitgever ontsnapt is. Deze liep wel beduidend minder gevaar bij verwachte sensatie, dus hij kon zich slordigheid permitteren.

De uitgesproken vijandigheid van de kritieken springt in het oog, valt ook samensteller Rutger Vahl op in zijn inleiding. Maaike Meijer schreef, -geestig, in plaats van over uw werk over u: ‘Omhoog gevallen bij gebrek aan gewicht.’ En Reinjan Mulder op 10 juni 1977 in deze krant: ‘Het is zonder meer gênant iemand zo openlijk om wat aandacht van een jongeman te zien vragen.’ Hannemieke Postma (romanschrijver onder het pseudoniem Hannes Meinkema) liet een gedachte weerklinken. Zij merkte op dat juist het mannelijk ongemak met die van oudsher mannelijke aangelegenheid van de hoofse aanbidding onderwerp was van de roman.

Nu ben ik ook benieuwd naar hoe u tegenover een huidige tendens zou staan. In de media wordt vaker dan soms bericht over vrouwelijke schrijvers en hoe zij ‘eraan’ komen, of zelfs ‘in grote getalen’ gearriveerd zijn. Als je niet beter zou weten zou je denken dat er een Beyoncé-achtig Formation-leger is opgedoken. Wat opvalt is dat de media van mening lijken dat geslacht op zich nieuwswaardig is. Zelden tot nooit wordt in deze berichten geschreven waarover deze ‘nieuwe’ schrijfsters schrijven. Hun ideeën zogezegd. Die literatuur tenslotte haar waarde verlenen. Voor ik over media bericht zonder te getuigen zelf een medium te zijn: Misschien ontbreekt het ons aan denkruimte en kijken wij slechts, maar zien nog altijd weinig. Een mogelijkheid waar we beslist rekening mee moeten houden. Het signaleren als het nieuwe nadenken. Dit kan toch niemand verheugen? Het zwijgende antwoord dat uit uw brieven en dagboeken valt te destilleren: Halsstarrigheid, harder werken, geen zelfmedelijden.

Mag ik u, om af te sluiten iets vragen, – met enige schroomvalligheid? U schrijft veel over het u wijden aan de literatuur, -iets wat ik nooit unverfroren zou toejuichen. Maar u heeft zich ten diepste gewijd aan de heroïne verslaafde zanger Wally Tax. Het Een Zomerdagboek (1978) waarin u aan hem schrijft heb ik weg moeten leggen. Te wee, zoet. Vind u mij kil of te ernstig als ik u vraag hoe u dit verklaart? Ik weet dat u in Geheime Liefde schreef: ‘Mijn eerzucht is nooit meer dan een onderdeel van mijn eredienst aan iemand anders geweest.’ Ik vraag mij af, vandaag, of dit werkelijk waar is. Bent u alleen ambitieus geweest voor een geliefde? Ik had uw hand gepakt, als u mij dit persoonlijk had gezegd. Als ik gedurfd had: ‘Die iemand anders, Laurie Langenbach, kan dat niet ook uw lezer zijn? U heeft daar toch aan gedacht? Aan een geheime liefde voor de wereld?’

Na uw debuut schreef u onder andere de roman Vera (1980) en de verhalenbundel Gevallen vrouwen (1981). Die laatste staat hier op de leeslijst. Ik zie naar u uit.

U toegenegen,
Hannah van Wieringen

NRC Handelsblad