corpus kunstkritiek – er moet licht zijn

Dat woorden niet toereikend zijn, wisten we al. Dat is ons inmiddels door allerlei filosofen, schrijvers en theatermakers wel ingepeperd. Maar is er ook een moment aan te geven wanneer dat besef intreedt? Wanneer kom je erachter dat je leven, je gevoelens, je relaties met anderen eigenlijk niet te verwoorden zijn? Dat kritieke omslagpunt is het onderwerp van de wonderschone voorstelling Er moet licht zijn van Toneelgroep Oostpool in een regie van Marcus Azzini. De jonge schrijfster Hannah van Wieringen schreef de krachtige, poëtische tekst.

Vijf vrienden maken zich op voor een feest: prosecco drinken, dansen, de muziek zo hard dat je elkaar niet meer verstaat. Maar voor ze weggaan bekent een van hen dat hij vanochtend huilend wakker is geworden en niet zo goed weet wat hij daar mee aan moet. Door die plotselinge bekentenis worden de andere vrienden gedwongen om zich tot die opmerking en tot hun vriend te verhouden. In woorden. En dat is voor deze mensen op zijn zachtst gezegd ongewoon, omdat de vriendschap tot nu toe vooral ging over drank, over dansen, over uitgaan. Niet over verwoordde emoties.

Maar ze kunnen nergens heen, in deze lege ruimte met hard licht. Op deze hobbelige vloer van eindeloos veel rechtopstaande wijnflessen die hun met drank overgoten verleden zachtjes rinkelend in herinnering brengt als ze zich verplaatsen. Dus moeten ze wel praten. En dat gaat in eerste instantie onwennig en met tegenzin. Ook komen ze erachter dat dingen die je eruit flapt (‘O, zei ik dat hardop?’) anderen ook kunnen kwetsen, verkeerd begrepen kunnen worden, waardoor de onderlinge relaties onder druk komen te staan. Iets wat in de tijden dat er niet gepraat werd, niet aan de hand was. Allemaal reageren ze anders op de nieuwe situatie: de een ziet nu de mogelijkheid vragen te stellen over hoe de anderen hem eigenlijk zien, een ander probeert voorzichtig de liefde te verklaren, een derde houdt zich afzijdig en laat vooral weten dit onzin te vinden en wil vooral blijven feesten. Toch ontdekken de personages uiteindelijk dat, hoe ontoereikend ook, taal ook gebruikt kan worden voor iets wat eerder ook niet werd verwoord: het uitspreken van onderlinge liefde en vertrouwen.

Er moet licht zijn gaat over het ontdekken van de taal: als instrument, als noodzakelijk kwaad, als wapen of als liefkozing. De taal die Van Wieringen haar personages in de mond legt is gekunsteld, poëtisch en hoekig. Met omgedraaide zinsconstructies, citaten en onafgemaakte zinnen. Het is onwennige, gemaakte taal die daarom heel goed past bij de personages die met hun woorden moeten puzzelen om de juiste dingen te kunnen zeggen. Vaak zeggen ze: ‘Dit is niet het juiste woord’ of ‘Dit woord klopt niet’.

De taal van Van Wieringen is, in al zijn gekunsteldheid, ook een enorme opgave om te spelen. Teveel nadruk op het poëtische karakter had van Er moet licht zijn een pretentieuze draak gemaakt. Azzini heeft met zijn acteurs een benadering gekozen die razend knap is en fantastisch werkt. De acteurs spelen de meanderende zinnen met een licht afstandelijke ironie. Alsof ze maar beginnen met praten en dan pas halverwege ontdekken wat ze eigenlijk aan het zeggen zijn. Ze laten zich leiden door die eindeloze stroom woorden, waartoe ze een prettige afstand weten te bewaren door niet al te serieus te nemen wat ze zeggen. Vooral Maria Kraakman gooit er weergaloos en achteloos de ene poëtische observatie na de andere uit.

‘Dit is het’, zegt een van de personages, ‘Dit is volwassen worden.’ Want naast het ontdekken van taal, gaat Er moet ligt zijn ook vooral over volwassen worden en het besef dat dit redeloos feesten ook niet eindeloos is. Er komt een moment dat je huilend wakker wordt en je niet precies weet waarom. En dat je beseft dat je relaties met anderen niet voor de hand liggen, maar gekunstelde intermenselijke constructies zijn die je moet onderhouden. Met het ontdekken van de taal, ontdekken de personages dan ook meteen de volwassenheid.

Het zijn de eind twintigers, begin dertigers, die zich nu in de positie bevinden dat ze hun leven onder woorden zullen moeten brengen. Dat is geen geringe opgave voor een generatie die vooral denkt in beelden. ‘Ik zoek een beeld’, roept een van de personages dan ook, als ze niet uit haar woorden komt. ‘Nee, nee, geen beeld’, roept een ander. Toch eindigt de voorstelling met een krachtig beeld, beschreven door het personage dat zich tot dan toe het meest op de vlakte heeft gehouden. Het beeld van een zwaan dat met een flits tegen een hoogspanningskabel vliegt. Even houdt de wereld haar adem in. Tot de zwaan opstaat en naar de waterkant waggelt. De tijd zet weer in. Alles gaat weer door, alsof er niets gebeurd is. Met die beschrijving laat van Wieringen zien hoe krachtig je met taal een beeld kan oproepen. Maar het is ook een mooie metafoor voor de rest van de voorstelling. Terwijl de rest van de wereld doordanste, stond voor deze personages de wereld even stil. En zijn ze volwassen geworden. Van het ene moment op het andere.