Spiegel spiegel schouder

Het enige dat nodig is voor tragiek is volharding. Te leven, een beslissing die mensen in feite iedere dag stilzwijgend maken, brengt dan ook enige tragiek met zich mee. Er valt te betogen dat tot voor kort westerse mensen de tragiek van het leven droegen omwille van iets dat buiten zichzelf lag. Dat was religieus van aard. En later verschoof dat naar de (romantische) liefde voor een ander. Sonja Hansen, de moderne held van Dorthe Nors’ nieuwe boek Spiegel spiegel schouder echter treffen we in een levensfase waarin zij zich weinig verbonden weet met beiden. Dat zij volhardt, de tragiek draagt, er ook onderkoelde komedie van smeedt, is haar nu en dan een wreed en eenzaam raadsel.

Wat knap is, is dat het Dorthe Nors (Denemarken, 1970) lukt in haar roman dit ‘nu en dan’ inzichtelijk te maken. Ze vangt de schoonheid van het belang én de rommelige onbelangrijkheid van het in leven zijn. Het lukt haar te tonen hoe mensen (van nu) monter de noodzakelijke samenhang aanbrengen in hun onsamenhangende levens en op lucide momenten grote moedeloosheid ervaren in het construeren hiervan.

Hóe knap dat is, is niet onopgemerkt gebleven, Spiegel spiegel schouder was onder andere genomineerd voor de Man Booker International 2017. Hopelijk komen nu ook haar eerdere boeken in Nederlandse vertaling. Haar geestige en scherpzinnige verhalenbundel Karateslag/Minna zoekt oefenruimte is gelukkig al vertaald.

Hoe kun je deel nemen aan het leven en het tegelijk van een afstandje beschouwen? Dat is een van de vragen die Sonja Hansen veelvuldig bezighoudt. Op de eerste pagina introduceert Nors Hansen, een paar jaar over de veertig, middenin in een rijles. ‘Je bent een echte doorzetter, zei haar moeder altijd en dat klopt; Sonja geeft niet op. Dat zou ze wel moeten doen, maar ze doet het niet (…)’ Sonja wil na een verbroken relatie en ondanks de draaiduizeligheid, die haar bij bruuske bewegingen doet flauwvallen, eindelijk leren autorijden. Zij krijgt les van een grofgebekte autorij-instructrice met racistische grondtoon. En het komt natuurlijk door die grensoverschrijdende autorij-instructrice, maar Sonja doet hier kort denken aan de filmheldin Poppy uit Happy-go-Lucky van Mike Leigh, weergaloos vertolkt door Sally Hawkins. Memorabele, hilarische scènes in een lesauto. Maar waar je bij Poppy pendelend tussen hoop en vrees moest constateren dat zij met haar verbijsterende lichtheid iets van de narigheid om zich heen wegspeelde, is dit bij Sonja beslist niet het geval. Sonja is stroef in de omgang, uitermate zelfbewust en speelt niets weg. Juist dit te weten zit haar dwars. Veel van wat Sonja weet zit haar dwars. Zo vertaalt ze de krimi’s van een beroemde Zweedse schrijver naar het Deens. Maar hoe graag vrouwen lezen over vermoorde vrouwen verontrust haar. ‘Tegenwoordig weet ze vooral hoe lijken in greppels worden gegooid. In greppels, diepe bossen, kalkgroeves en op vuilnisbelten. Overal in de openbare ruimte in Scandinavië liggen verminkte vrouwen en kinderen weg te rotten.’ Haar zuster Kate met wie het samenleven niet makkelijk is verdenkt ze ervan deze krimi’s te lezen omdat ze een prima uitlaatklep vormen voor ‘de zelfhaat die ze vast wel heeft.’ Kate is een bron van verlangen in Sonja. Het boek is in die zin ook een studie naar de afstand die er ongewild kan groeien tussen familieleden. En groter: de afstand die er groeit tussen jezelf en je jeugd. Zo stelt Sonja stuurse brieven op aan het thuisfront, hunkerend naar meer contact. En belt ze veel naar haar zuster Kate in een klein boerendorp buiten Kopenhagen. Dat Sonja verruild heeft voor de grote stad, om er als eerste uit haar gezin te studeren. Eindelijk neemt Kate de telefoon eens op. ‘Er is toch niets gebeurd?’ Haar afwijzende lauwheid schrijnt. Ze is Sonja niet goed- en niet slechtgezind, ze stelt haar ook geen vragen. Tot Sonja iets over een waarzegster vertelt, die haar een voorspelling deed. De vraag die de zuster dan toch stelt: ‘Zei ze ook iets over mij?’

Sonja hanteert in haar (zelf)beschouwingen een scherpte die vernietigend kan zijn. Dit onbedoeld zelf-schadende van de denkende mens vangt Nors met precisie. Sonja verlangt en probeert, maar bij haar vriendin Molly, -die een uitgebreid seksleven instrumenteel inzet als antidepressivum, denkt ze: ‘(…) en het is alsof Molly’s gezicht voorzien is van een rolluik zoals je die wel ziet bij juwelierszaken. Ze kan het luik laten zakken, snel, zodat niemand binnen kan dringen om te pakken wat hij pakken kan. Die techniek beangstigt Sonja.’ En over de eerste ontmoeting met de later ontrouwe geliefde: ‘Ze had geglimlacht en Paul had automatisch zijn gezicht vol opengedraaid. Uit alle gezichtsopeningen stroomde warmte en Sonja had niet door dat ze getuige was van een truc. Ze dacht dat zij die warmte op Pauls gezicht opriep.’ En net als je haar een vriendelijker soort scherpte gunt: ‘Het is moeilijk om kleren te vinden die passen bij je lichaam en het is moeilijk om de taal passend te krijgen voor de mensen van wie je houdt, […].’ Nors houdt Sonja steeds balancerend, en nét in het wankele evenwicht van een alleen, groot mens, niet jong, niet oud, ietwat verloren levend in een grote stad.

Ze peurt een gedeelte van haar evenwicht uit het feit dat ze een ontsnappingskunstenaar te noemen is. Steeds verlangt Sonja Hansen in gelijke delen naar contact en naar alleenheid. Beschouwen en deelnemen. Wat haar noopt zodra het verlangde contact nadert toch weer de benen te nemen, als het niet in persoon is, dan wel in haar gedachten. Mooi vind je dit terug in de vorm van het boek. De hoofdstukken eindigen vaak met een afdwalende Sonja, die zich wat terugtrekt in zichzelf, als korte uitloopscenes aan het einde van een film. Sonja die iets voor zich uithumt, iets herhaalt, die met zichzelf in gesprek is, meer dan met iets of iemand in de buitenwereld. Dat ze daarna opnieuw mee moet doen in de handeling van haar eigen leven, voelt dan -heel slim, aan, als iets dat zich met enige tegenzin voltrekt.

Over het gesprek dat Sonja met de waarzegster voerde piekert ze. ’Ze vindt het eng om er niet in te geloven en ook eng om er wel in te geloven en ze weet nog hoe ze een paar jaar geleden een kerk in Balling binnenliep. Ze wilde er gewoon even met iets hogers over praten. Het was goed om dingen los te laten, ze eruit te gooien in de hoop dat Iets Hogers luisterde […].’ Sonja doet intussen veel, dingen loslaten is er niet een van.

Op een van haar ontsnappingen aan het hier en nu denkt Sonja aan de film Contact met Jodie Foster. Foster is op een ruimtereis ergens ver in het melkweg stelsel en wordt zelf ‘mentaal naar een herinnering getransporteerd.’ Jodie Foster spreekt dan met haar overleden vader op een strand. En Sonja ziet zichzelf als Jodie en haar vader zegt: ‘”You feel so cut off, so lost, so alone. [..].” en waar hij op doelt is de mensheid die zich geïsoleerd voelt in het universum.’ Zelf lijkt Sonja Hansen haar netelige positie als mens op aarde samen te vatten als ze beschrijft hoe ze zich eens tijdens een gymles verstopt had tussen gymtoestellen, onder het paard: ‘Ik moet me pijnlijk bewust zijn geweest van mijn afzondering en tegelijkertijd hopeloos verliefd op de potentie ervan.’

Alleen, en hopeloos verliefd op de mogelijkheden. Daar kun je het tragische huwelijk tussen beschouwen en deelnemen in zien. Én, een liefdesverklaring aan het leven.

 

NRC Handelsblad