we zijn een daverende kudde

Hannah van Wieringen schrijft ruige, sexy poëzie. Debuteren is zoiets als voor het eerst met je baby naar buiten gaan. Nieuwsgierig steken de buren het hoofd in de kinderwagen, werpen een blik op het nieuwe leven. Wat zullen ze zeggen? Hannah van Wieringen debuteerde al eens als verhalenschrijfster. Succesvol. Eerder dit jaar verscheen haar poëziedebuut ‘Hier kijken we naar’. En dat hoort volgens de jury van de C. Buddingh’-prijs tot de vier beste jonge bundels van het afgelopen jaar. De jury prees Van Wieringens gedichten om hun durf en de ‘flinke dosis energie’ die ze bezitten.

Dat laatste is zonder meer waar. Barstensvol leven zit deze poëzie. Landerig leven, dat toch gespannen staat als een veer, als van een kind dat nog niet groot wil worden, maar lang en loom verstopt wil blijven in het gras.

‘moeders roepen op de dijk
boven de grasgrens onder de grasgrens
niet komen niet luisteren’

Opwindend leven van feestvieren tot het gaatje: “het is al twee keer dag geweest / en nog zijn we een razende daverende kudde” en sensueel leven met naakte lijven “hijgen grijpen / vier hete zweterige billen / graaiend grijpen / laag daar lager daar”. Je kunt Hannah van Wieringen (1982) vergelijken met een enthousiaste jonge hond, die de wereld in al zijn volheid wil opslorpen en daarbij duidelijk voor ogen heeft wat de taak van de dichter is en wat taal zoal kan (‘Schrijven is je zin krijgen’) en wat niet.

Te midden van al dat grootse en oorverdovende leven is er oog voor het kleine en het stille: een lichaam in een doorkijkblouse beschreven, met een moedervlek boven borsten en een rood pukkeltje op de ‘wegwiebelende achterkant’. Voor de eenzaamheid van de panda en voor een dode eend.

In het gedicht ‘over wat poëzie’ is die levenshouding helder samengevat tot iets wat ook als een poëtica is te lezen.

de hele grote onmogelijkheid van het enorme volle alles
(…)
dat neer te halen met een mazig vlindernetje
koddige schep uit de lucht hop

Die levenslust, vermengd met surreële speelsheid en stilte, geeft deze poëzie haar karakter. Het is ruig en sexy, het fluistert en het knettert. Maar af is het nog niet. Want soms neigt Van Wieringen naar het cliché. Zoals vaker met debutanten laat ze vooral potentie zien. En die is er genoeg om benieuwd te zijn naar een volgend boek. In juni, tijdens het Poetry International Festival, zal bekend worden welke jonge dichter de Buddingh’-prijs krijgt. Behalve Van Wieringen zijn ook Maarten van der Graaff, Hanneke van Eijken en Josse Kok genomineerd. – JANITA MONNA