Zomerboek

In haar heruitgegeven Zomerboek uit 1976 schetst Tove Jansson (1914-2001), een van de grootste jeugdliteratuurschrijvers uit Scandinavië, in tweeëntwintig vignetten de innige verhouding tussen een grootmoeder en een kleinkind. Het zijn lessen in levenslust en de bestendiging ervan. De afwezigheid van wolligheden of sentimenten in dit universum springt in het oog. Geluk is er even helder als hard en ligt dicht tegen een diep ontzag voor de schepping aan. Jansson is ook illustrator en er zijn illustraties van haar hand opgenomen tussen de hoofdstukken. Haar proza is springlevend, alsof het aan spanning heeft gewonnen door haar blik, die vliegensvlug van werkelijkheid naar papier beweegt en weer terug.

De familie van Sophia, het kleinkind, overzomert ieder jaar op een eiland voor de Finse kust. Het is er ruig en alleen het noodzakelijkste kan mee van het vasteland. Gevaar is nooit ver weg. De zee loert, het moeras en anders wel de onwetendheid van de jeugd of de krakkemikkigheid van de ouderdom. In een enkele zin is verteld dat de moeder van Sophia kort geleden overleden is. Jansson lijkt daarmee al te makkelijke psychologisering te willen voorkomen. De woede van het kind en de angst voor het sentimentele van de grootmoeder zijn niet alléén te duiden via de rouw. Ze zijn hun ook eigen. 

Heel brutaal

Tussen de grootmoeder en de kleindochter bestaat een bruuske levendigheid die met grote vertrouwelijkheid gepaard gaat. Het brengt ook het werk van Annie M.G. Schmidt in herinnering. Zo wordt er naar een kunstgebit gezocht: ‘Laat mij maar, zei Sophia. ‘Jouw benen zijn niet meer zo goed. Ga eens opzij.’ Het naar en van elkaar af bewegen dat opgroeien is klinkt dan zo: „‘Is het waar dat je in de negentiende eeuw geboren bent?’ riep Sophia door het raam, heel brutaal. ‘In achttienhonderdtweeëntachtig’, antwoordde de grootmoeder luid en duidelijk. ‘Als dat je wat zegt.’ ‘Helemaal niets!’ riep Sophia en ze holde weg.”

In het hoofdstuk ‘Het bezoek’ bezoekt een stokoude vriend van de grootmoeder het eiland. Hij lijdt zichtbaar onder zijn eenzaamheid en zijn naderende einde en projecteert dat op de grootmoeder. Als ze langs populieren lopen met kleinere uitlopers ernaast, die ze aanwijst om hem af te leiden, stemt zelfs dat hem droevig. „‘Hou nou toch eens op’, zei de grootmoeder. ‘Hou op met dat gepraat in symbolen, dat is achterhaald. Ik heb het over uitlopers en onmiddellijk begin jij over kleinkinderen. Waarom al die omhaal en vergelijkingen, ben je soms bang?’„ Alsof ze dit ook tegen de schrijver van de verhalen zegt, waar ze in figureert. Denk je erom, geen interpretaties maken. Alleen maar zeggen wat je hoort en ziet.

Zo raak je gaandeweg mee opgevoed door de grootmoeder en herken je haar hand in de blik van de auteur. De grootmoeder kent ten diepste het gevaar van de angst en de noodzaak van zelfoverwinning. Haar stilletjes aan kleiner wordende lichamelijke kracht loopt parallel met het einde van de zomer. En waar de grootmoeder de kleindochter leert leven op het eiland, leert ze haar tegelijkertijd een eerlijke omgang met andere mensen en met de dood. En daar, weet ze, heb je al je moed en vastberadenheid bij nodig. Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 28 augustus 2020