De wijde Sargassozee

Jean Rhys is het soort auteur die al bij haar eerste zinnen prompt naast je aan een schemerige bar verschijnt. Zeker als je haar vuistdikke Alle verhalen (2019) voor je hebt, waarvan het eerste in 1927 gepubliceerd werd en het laatste in 1978. Je leest die eerste zinnen en zij bestelt naast je een groot glas whisky. Ze steekt van wal, tovert in enkele streken levensechte mensen te voorschijn, hun gezichtsuitdrukkingen tot in detail. Sociale verhoudingen, de steden waarin wordt rondgezworven, in een paar zinnen staat alles wat je moet weten voor je neus te glitteren en te knipperen. Een bordje erboven: treed hier binnen en je komt met het waarachtige in aanraking. 

Rhys (1890-1979) spreekt scherp over klasse, over kleur. Ze voert een polonaise op van veerkrachtig nachtvolk, ontwortelden, danseressen, oplichters en dromende zielen, voor wie de realiteit een ver familielid lijkt, dat nog geld van ze krijgt. Ze brengt onze grillige stemmingen in kaart. Het is alsof haar mensen, almaar onderhevig aan het lot, zoveel zeggen als: ja, het leven mag stervensoneerlijk zijn, maar ik ga nu een lied aanheffen, en nog een whisky inschenken. Ik ga het bloedgeld dat ik ontving omzetten in een nieuwe roze jurk, die prima staat.

Vertellingen

In 1937 schrijft Walter Benjamin in een essay dat het ware verhalenvertellen uitsterft. Recent zijn enkele van zijn essays rond dit thema verzameld en in het Engels vertaald onder de titel  The Storyteller Essays (2019). Benjamin observeert dat het vertellen – de orale en daarmee gedeelde traditie – verdrongen raakt door het werk van het individu, de moderne romanschrijver, die zich noodgedwongen (Benjamin wijst de Eerste Wereldoorlog aan als omslagpunt) heeft losgemaakt van de groep. Ervaringen hierover kúnnen niet gedeeld worden. 

Jean Rhys: Alle verhalen. Vert. W.A. Dorsman-Vos en Lisette Graswinckel. Orlando, 384 blz. € 24,99

Jean Rhys: De wijde Sargassozee. (The Wide Sargasso Sea). Vert. W.A. Dorsman-Vos. Orlando, 192 blz. € 22,50

Eigenlijk zegt hij zoveel als: de roman komt voort uit eenzaamheid, dus de roman maakt eenzaam. Een roman bevat bovendien te veel informatie en informatie verliest haar waarde na het eerste vernemen. Een vertelling is echter iets anders, een vertelling gebruikt zichzelf niet op, kan steeds opnieuw gehoord en geïnterpreteerd worden. 

Met Benjamins ideeën hierover in gedachten zou ik zeggen dat Coetzee op deze manier verhalen maakt, zeker in de Jezus-trilogie. Ook denk ik aan Rachel Cusks Outline-trilogie – romans waarin het vertellen leidend is. En daarmee is ook gezegd dat de roman in mijn ogen (inmiddels) beweeglijker is dan Benjamins opdeling in het epische of het romaneske toelaat. 

De twee heruitgaven van werk van Jean Rhys, die recent bij uitgeverij Orlando uitkwamen, vertonen overwegend dat ware verhalenvertellen waar Walter Benjamin op doelt. Zeker de korte verhalen, en ook haar roman De wijde Sargassozee is een uitzonderlijk sterk amalgaam van vertelling en roman. 

Jean Rhys (1890-1979) werd geboren op Domenica, een eiland in de Caribische Zee, en groeide er op. Ze was dochter van een Schots-creoolse moeder en een vader uit Wales. Op haar zestiende werd ze naar Engeland gestuurd. Ze studeerde kort aan de Royal Academy of Dramatic Art en werkte als variétéartiest en als schildersmodel. Ze trouwt, vestigt zich in Parijs, begint te schrijven. Ze oogst lof voor haar verhalen en romans. Ze verdwijnt, drie huwelijken verder en wegens een innige liefde voor de fles, uit de openbaarheid.

Gek geworden en opgesloten

Ze komt weer boven water in 1949 nadat een redactrice van de BBC contact zocht over rechten, via een advertentie in de krant. Ze begint weer aan het uitwerken van een van haar grote ideeën, de roman die De wijde Sargassozee zal worden en uiteindelijk in 1966 zal verschijnen. Zelf stelde ze dat er een duivel voor nodig was om het af te schrijven. 

Met de roman, die grote bekendheid verwierf, schept Rhys een biografie voor een roemrucht personage uit het geliefde Jane Eyre (1847) van Charlotte Brontë. Ze geeft een stem aan Bertha Mason, de geheimgehouden eerste vrouw van Jane Eyre’s love interestRochester. Deze Jamaicaanse vrouw speelt – waanzinnig geworden en opgesloten op zolder – een rol in de ontknoping van het huwelijksplot. Rhys snijdt haar los van die instrumentele taak en herschept haar als Antoinette Cosway, en laat haar, net als zijzelf, opgroeien op Domenica. 

In drie delen ontrolt haar geschiedenis. In het eerste deel beoefent Rhys de klassieke Bildungsroman. Het Caribische eiland waar dit plaatsgrijpt, borrelt. Antoinette groeit op in de periode dat slavernij weliswaar is afgeschaft, maar witte koloniale bewoners en zwarte oorspronkelijke bewoners zich vaak nog in dezelfde soort arbeidsomstandigheden verhouden. De wet is gewijzigd, de wijziging in de mensen (en het kapitaal) laat langer op doorvoering wachten. 

Rijke vrouw

Ook in het voormalige plantagehoudershuishouden van de witte Cosways is alleen zwart personeel in dienst. Rhys oppert dat het tot ‘ander’ maken van de zwarte bevolking op te vergelijken wijze de vrouw ten deel valt. Binnen het negentiende-eeuwse huwelijk geldt de vrouw eveneens als bezit. Rhys linkt dit in bezit zijn rechtstreeks aan de waanzin die bezit neemt van de moeder van Antoinette. 

In het tweede deel: de liefdesgeschiedenis. Hier laat Rhys beiden, maar overwegend Rochester, aan het woord, het personage dat Jane Eyre later graag zou trouwen. Hij is een verarmde en gevoelsarme Engelsman die naar Domenica reist om een rijke echtgenote te vinden. Antoinette Cosway is die rijke vrouw. Haar vrijheid en schoonheid verbijsteren hem.

Rhys heeft een ongekend scherp oog voor de gevolgen van de begeerte, die omslaat in haat. De ander die nodig is, wordt schuldig aan nodig-zijn, aan gemankeerd-zijn-zonder. Zij toont hem wie hij is. Dus moet zij op een haar na vernietigd worden. Het derde deel, dat zich in Engeland afspeelt, in het fatale Thornfield Hall van de familie Rochester, zou je integraal op toneel kunnen zetten, zo helder spreekt de stem van Antoinette Cosway, nu tegen wil en dank omgedoopt tot Bertha Mason. 

Opnieuw ontdekt

Aanvankelijk had Rhys het in versvorm willen maken en die gedachte is via dat toneelmatige na te voelen. Masons waanzin, wordt hier inzichtelijk, is net als die van haar moeder maatschappelijk, en vindt grond in het denken over afkomst en kleur, in knellende erfrechten en huwelijksbanden die haar als creoolse vrouw gevangen hielden in de machtige verbeelding van haar echtgenoot.

De roman in zijn geheel is te lezen als een brief van Rhys aan Brontë. En natuurlijk als correctie op het canon. Alsof Rhys stelt: als we met de canon de gehele menselijke ervaring zouden willen omvatten, vergeten we deze ervaring dan niet?

Jean Rhys is zo’n schrijver die eens in de zoveel tijd opnieuw ontdekt wordt. Dan wordt ze weer door iemand op het schild gehesen, alsof ze er niet al die tijd gewoon al was. De aard van deze roman zou weleens debet kunnen zijn aan het voorafgegane vergeten. Kunnen we het aan, wat Rhys hier stelt over kleur, over machtsverhoudingen? Hebben we de moed om ons te doordringen van wat De wijde Sargassozee ons over onszelf te vertellen heeft? Vandaag, daar lijkt het althans op, misschien meer dan ooit.

Het essay ‘De verteller’ van Walter Benjamin is ook opgenomen in de essaybundel Kritische portretten (Octavo, 2020).

Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 6 november 2020