Onvoltooid werk

Ergens in haar werk vergelijkt Virginia Woolf boeken met planten of luchten: ze lijken net zo met de seizoenen mee van vorm en kleur te veranderen. En daarop voortbordurend stelt ze dat je als je bijvoorbeeld Hamlet ieder jaar van je leven zou herlezen en er verslag van bleef doen, je in feite je autobiografie schrijft. 

Iets wat hierop lijkt is de opzet van Vivian Gornicks Onvoltooid werk. Aantekeningen van een chronische herlezer. In aaneengeschakelde essays herleest ze haar meest geliefde boeken. Ze doet verslag van haar steeds kantelende perspectief op die boeken, op zichzelf en op de tijd waarin zij ze las. Gornick is van 1935 en heeft dus een aardige spanwijdte qua leef- en leestijd om te beschouwen. 

Ze opent met de gedachte dat sommige inzichten die ze beschrijft in haar andere boeken ook al aan de orde zijn gekomen. Zoals schrijvers van fictie personages laten terugkeren (ik denk aan J.D. Salinger, Annie M.G. Schmidt) laat Gornick inzichten terugkeren. 

In de inleiding die volgt tekent Gornick de wordingsgeschiedenis op van de lezer, en daaruit voortvloeiend de schrijver, die ze is. Het is een ‘wat dacht ik waar, wanneer en waarom’ in vogelvlucht. In Gornicks boek Approaching Eye Level (1996) is deze ‘personal history of consciousness’ gelukkig uitvoeriger uitgewerkt terug te vinden. De helderheid van Gornicks stijl en de scherpte van haar voortschrijdend inzicht blijken een waar antidotum tegen de aanwezige breinsoep, waar als je niet oppast de lockdown nog de schuld van krijgt. 

Seksuele extase

Om te beginnen herleest Gornick Sons and Lovers van D.H. Lawrence en noteert dat ten tijde van haar eerste lezing, rond 1955, ze was twintig, het verlangen naar Grote Passie iets was dat als vanzelfsprekend werd ervaren: ‘een diep gekoesterd verlangen van mensen uit mijn generatie die smachtten naar een meeslepend leven’. Nu, stelt ze, beschikken veel meer mensen over de ervaring van seksuele vrijheid. Sterker nog, stelt ze: ‘Niet alleen brengt seksuele extase ons niet tot onszelf, je moet al over een zelf beschikken om te weten wat je ermee aan moet, mocht het tot extase komen.’

Dit afzetten van haar visie op toen en nu maakt dat je door de hele bundel als het ware live verslag krijgt van het ontstaan van wijsheid.

In hoofdstuk zes herleest Gornick het oeuvre van Natalia Ginzberg. En ervaart ‘de opbeuring die je voelt als je er intellectueel aan herinnerd wordt dat je een sensibel wezen bent’. (Dit is een goed moment om kort te vermelden dat de vertaling van deze uitgave achterblijft. Opbeuring? Sensibel? De vertaling doet Gornicks glasheldere stijl over het geheel gezien helaas geen eer aan.) Voor Gornick is het een vruchtbaar weerzien, Natalia Ginzburg is dan ook haar grote leermeester. Het essay ‘Il mio mestiere’, ‘Mijn roeping’, geldt als leidraad voor haar schrijverschap. Ze noemt het essay ‘een bildungsroman in het klein’ en noteert over Ginzburg: ‘De truc was, ontdekte ze, om heel goed stil te staan bij je feitelijke ervaringen en vervolgens een manier te vinden om het schrijven daarmee in overeenstemming te brengen.’ Een ‘kostbaar inzicht’.

Hamlet

In hoofdstuk zeven maakt ze inzichtelijk op welke wijze er bij het lezen en schrijven over literatuur gewicht op haar schouders rust. Ze schrijft over het belang van ontvankelijkheid – en daaraan verwant welwillendheid – voor de kunstkritiek, maar ook als voorwaarde voor (vol)waardig leven. (Ik denk nu ook aan Hamlet, die ergens stelt: ‘the readiness is all’.) ‘Hoe vaak hebben levenslange vrienden of geliefden niet huiverend over elkaar gedacht: als ik jou op een ander moment was tegengekomen… Hetzelfde gaat op als je een boek leest dat een intieme metgezel is gebleken en waarvoor je bijna je geest en hart niet had opengesteld omdat je niet in de juiste stemming was – dat wil zeggen: in een staat van welwillendheid.’ 

Deze urgentie en ernst doordesemen de bundel. Ze doen vermoeden dat de dialoog die Gornick onderhoudt met de voor haar levende boeken doorgaat, met hopelijk een deel twee van dit boek. De sterren staan goed: ‘Toen ik [het] na de laatste bladzij dichtsloeg, vroeg ik me af of het boek eindelijk opgehouden was mij te zeggen wat het me te zeggen had.’